U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-05-2012.

Regeling · BWBR0007823

Besluit inbeslaggenomen voorwerpen

Wijzigingen Officiële bron
Besluit van 27 december 1995, houdende vaststelling van een algemene maatregel van bestuur tot uitvoering van de artikelen 117, eerste tot en met derde lid, en 118 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpenBesluit inbeslaggenomen voorwerpenWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 november 1995, directie wetgeving nr. 527684/95/6.

Gelet op artikelen 118, eerste lid en 119a van het Wetboek van Strafvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 20 december 1995, no. WO3.95.0660.

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 21 december 1995, directie wetgeving nr. 531971/95/6.

Hebben goedgevonden en verstaan:

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage27 december 1995BeatrixDe Minister van Justitie,W. Sorgdragerde achtentwintigste december 1995De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

Als bewaarders, bedoeld in artikel 118, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, worden aangewezen:

Zo spoedig mogelijk na de inbeslagneming beschrijft de inbeslagnemende ambtenaar en buitengewone opsporingsambtenaar het voorwerp zorgvuldig en, zo mogelijk na verpakking, waarmerkt deze het voorwerp deugdelijk, zodat te allen tijde de aard van het voorwerp, de herkomst en de reden van de inbeslagneming kan worden vastgesteld.

De bewaarder geeft een voorwerp niet af dan tegen een bewijs, waarin de datum van de afgifte, de aard van het voorwerp en de naam en de hoedanigheid van de ontvanger zijn vermeld.

Inbeslaggenomen geld wordt zo spoedig mogelijk op de bankrekening van de bewaarder als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, gestort, tenzij de officier van justitie bepaalt dat de bewaarder, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, e of i, dit geld onder zich houdt.

Indien de Koninklijke Nederlandse Munt N.V. de voorwerpen die bij hem in bewaring zijn gegeven, nog niet heeft beoordeeld wanneer afgifte van die voorwerpen wordt gevraagd, vormt hij zijn oordeel, alvorens tot afgifte over te gaan, zo spoedig mogelijk.

De bewaarder draagt zorg dat een voorwerp zodanig wordt opgeslagen, dat het steeds met het minst mogelijk oponthoud voor het onderzoek beschikbaar kan worden gesteld.

Voorwerpen die om bijzondere redenen niet kunnen worden opgeslagen in een onder beheer van de bewaarder staande opslagplaats, mogen door hem op een andere geschikte plaats in bewaring worden gegeven.

De bewaarders zijn na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 11, derde lid, bevoegd met betrekking tot voorwerpen, ten aanzien waarvan het niet mogelijk is gebleken de last tot teruggave uit te voeren omdat de rechthebbende geen aanspraak heeft gemaakt op afgifte, te handelen op dezelfde wijze als met betrekking tot verbeurd verklaarde voorwerpen.

De bewaarder die een machtiging tot vervreemding om baat heeft uitgevoerd ten aanzien van voorwerpen die op grond van artikel 94 of 94a van het Wetboek van Strafvordering inbeslaggenomen zijn, draagt na de uitvoering van deze last de opbrengst over aan de bewaarder genoemd in artikel 1, onderdeel a.

Het besluit van 6 augustus 1993, Stb. 440 wordt ingetrokken.

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 1996.

Dit besluit kan worden aangehaald als Besluit inbeslaggenomen voorwerpen.