U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 01-01-2013.

Wet · BWBR0008589

Kaderwet dienstplicht

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 13 maart 1997, houdende bepalingen met betrekking tot de militaire dienstplicht alsmede wijziging van enige wetten en overgangsrecht (Kaderwet dienstplicht)Kaderwet dienstplichtWij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is ingevolge artikel 98, derde lid, eerste volzin, en het additionele artikel XXX van de Grondwet regels te stellen met betrekking tot de bevoegdheid tot opschorting van de oproeping van dienstplichtigen in werkelijke dienst en de oproeping van dienstplichtigen in buitengewone omstandigheden; dat het voorts gewenst is de afzonderlijke regelingen op het gebied van de dienstplicht samen te voegen tot een Kaderwet dienstplicht;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage13 maart 1997 BeatrixDe Minister-President, Minister van Algemene Zaken,W. Kok De Minister van Defensie,J. J. C. Voorhoeve De Staatssecretaris van Defensie,J. C. Gmelich Meijlingde derde april 1997De Minister van Justitie,W. Sorgdrager

Uitgezonderd paragraaf 2 van hoofdstuk 1 is deze wet niet van toepassing op hen die als militair ambtenaar zijn aangesteld.

Onze Minister zendt zo spoedig mogelijk nadat de inschrijving heeft plaatsgevonden aan iedere voor de dienstplicht ingeschreven persoon een bericht van inschrijving met vermelding van het registratienummer.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot keuring en herkeuring als bedoeld in deze paragraaf. Deze algemene maatregel van bestuur bevat ten minste een regeling omtrent:

Bestaat er naar het oordeel van Onze Minister gegrond vermoeden, dat iemand voorgoed ongeschikt is verklaard voor het vervullen van werkelijke dienst als gevolg van bedrog, dan wordt de desbetreffende beslissing door hem vervallen verklaard en komen op betrokkene de verplichtingen te rusten als ware hij geschikt verklaard.

Op aanvraag kan door Onze Minister uitstel worden verleend van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst in de gevallen, waarin dit in het belang van de dienstplichtige of om andere redenen wenselijk is en voor zover het militair belang niet wordt geschaad. De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed.

Op aanvraag wordt door Onze Minister ontheffing verleend van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens:

De aanvraag vermeldt mede het registratienummer en is met redenen omkleed.

Onze Minister verleent vrijstelling van de in artikel 18, eerste lid, bedoelde verplichtingen tot het vervullen van werkelijke dienst wegens:

Vervallen

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot uitstel, ontheffing en vrijstelling als bedoeld in de artikelen 12, 13, en 14. De krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.

De werkelijke dienst kan voor de dienstplichtige, indien hij voor groot verlof in aanmerking komt, worden verlengd

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden voor de dienstplichtige in werkelijke dienst en voor zover nodig voor de gewezen dienstplichtige voorschriften vastgesteld betreffende:

Artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen inzake functietoewijzing, bevordering en aanwijzing voor het volgen van een opleiding.

Titel II van de Ambtenarenwet vindt op dienstplichtigen in werkelijke dienst en op gewezen dienstplichtigen overeenkomstige toepassing.

De uit deze wet voortvloeiende verplichtingen zijn niet langer van toepassing

De dienstplichtige in werkelijke dienst is niet gehouden tot dienstverrichting op voor hem op grond van zijn godsdienst of levensovertuiging geldende feest- en rustdagen, tenzij het dienstbelang dit onvermijdelijk maakt.

Het is de dienstplichtige in werkelijke dienst verboden, anders dan met toestemming of in opdracht van Onze Minister of van een door deze aan te wijzen functionaris, te reizen naar of te verblijven in:

Vervallen

Ten aanzien van hetgeen bij of krachtens hoofdstuk 2 is bepaald zijn de artikelen 3 tot en met 8 van de Militaire Ambtenarenwet 1931 van overeenkomstige toepassing.

Met de opsporing van de in deze wet strafbare gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, belast de militairen van de Koninklijke marechaussee. Zij hebben toegang tot elke plaats, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.

Wijzigt de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen.

Wijzigt de Algemene militaire pensioenwet.

Wijzigt de Wet betreffende de positie van Molukkers.

Wijzigt de Militaire Ambtenarenwet 1931.

Wijzigt de Wet gewetensbezwaren militaire dienst.

Wijzigt het Wetboek van Militair Strafrecht.

Wijzigt de Algemene wet bestuursrecht.

Wijzigt de Beroepswet.

Wijzigt Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Invoeringswet Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

Wijzigt de Arbeidstijdenwet.

Wijzigt de Wet veiligheidsonderzoeken.

Wijzigt Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

Wijzigt de Wijzigingswet bepalingen van verschillende wetten ivm erkenning van vrijheid van levensovertuiging als grondrecht.

Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet voor de dienstplicht zijn ingeschreven, worden aangemerkt als ingeschrevenen voor de dienstplicht in de zin van deze wet.

Zij die voor het tijdstip van inwerkingtreden van deze wet op grond van de Dienstplichtwet zijn ingelijfd als gewoon dienstplichtigen doch niet meer voor eerste oefening worden opgeroepen, worden aangemerkt als ingeschrevenen in de zin van deze wet.

Zij die op grond van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van de dienst zijn uitgesloten, worden aangemerkt als uitgesloten van de dienst in de zin van deze wet.

In afwijking van artikel 62, tweede lid, van deze wet blijft het bepaalde bij of krachtens artikel 2 en artikel 3 van de Wet rechtstoestand dienstplichtigen zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van kracht na 1 januari 1997 voor zover het bepaalde bij of krachtens deze artikelen mede van toepassing is verklaard op gewezen dienstplichtigen.

In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijft artikel 39 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet na 1 januari 1997 van kracht, voor zover de verschuldigde schadevergoeding door betrokkenen ter zake van beschadiging, zoekraken of verloren gaan van rijksgoederen niet voor die datum is voldaan, onverminderd de overige daaraan verbonden gevolgen.

Zij die op grond van de Dienstplichtwet tot het reservepersoneel behoren of komen te behoren, blijven daartoe behoren tot het tijdstip waarop hun dienstplicht volgens artikel 41 van die wet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet zou eindigen, tenzij hun volgens de geldende wettelijke bepalingen eerder ontslag wordt verleend.

In afwijking van artikel 62, eerste lid, van deze wet blijven de artikelen 26 en 45 tot en met 47 van de Dienstplichtwet zoals luidend voor inwerkingtreding van deze wet van kracht voor degenen tegen wie voor 1 januari 1997 op grond van een of meer van deze artikelen een strafvervolging aanhangig is gemaakt.

Op geschillen die tijdig krachtens de in artikel 41, tweede en derde lid, genoemde wetten aanhangig zijn of worden gemaakt, blijven de op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende voorschriften van toepassing.

De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet geldende algemene maatregel van bestuur, vastgesteld krachtens artikel 30, derde lid, van de Dienstplichtwet berust vanaf dat tijdstip op artikel 19, derde lid, van deze wet.

Deze wet wordt aangehaald als: Kaderwet dienstplicht.