Regeling · BWBR0011545
Besluit studiefinanciering 2000
Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 16 juni 2000, nr. 2000/23 732 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 1.1, eerste lid, 2.2, onderdeel c, 2.11, 3.3, tweede lid, 3.14, derde lid, 8.1, eerste lid, 8.2, tweede lid, 9.6, 10.6, zevende lid, 11.1, 11.6 en 11.7 van de Wet studiefinanciering 2000;
De Raad van State gehoord (advies van 13 juli 2000, nr. W05.00.0236/III);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen van 27 juli 2000, nr. 2000/27 634 (1707), directie Wetgeving en Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage5 augustus 2000BeatrixDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen a.i.,G. Zalmde tweeëntwintigste augustus 2000De Minister van Justitie,A. H. KorthalsIn dit besluit wordt verstaan onder:
aflosfase: aflosfase, bedoeld in artikel 6.7 van de wet,
familielid: familielid als bedoeld in richtlijn 2004/38/EG,
instelling voor hoger onderwijs: instelling voor hoger onderwijs als bedoeld in artikel 1.2 van de WHW,
richtlijn 2004/38/EG: richtlijn nr. 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PbEU L 158),
voucher: voucher als bedoeld in artikel 12.15, eerste lid, van de wet,
vouchertegoed: de waarde, of de voor een rechthebbende resterende waarde, van de voucher, en,
In hoofdstuk 3a van dit besluit wordt verstaan onder aanvullende beurs: toegekende en uitbetaalde aanvullende beurs als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid, van de wet.
Een wijziging van richtlijn 2004/38/EG gaat voor de toepassing van dit besluit gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven.
Onder «belastbaar minimumloon», bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, wordt verstaan:
108% van het twaalfvoud van het voor de maand januari van het berekeningsjaar geldende in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag bedoelde bedrag per maand.
Met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die in Nederland rechtmatig verblijf heeft:
- a.
op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000;
- b.
op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;
- c.
op grond van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 8, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000;
- d.
op grond van artikel 8, onderdelen g of h, van de Vreemdelingenwet 2000, voor zover hij reeds studiefinancieringsgenietende is; of
- e.
op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 die is verleend onder een beperking:
- 1°.
verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid van een Nederlander of van een vreemdeling als bedoeld in onderdeel a, of dit onderdeel, of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
- 2°.
verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden;
- 3°.
als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden; of
- 4°.
verband houdend met afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet als bedoeld in artikel 3.17a, onderdeel b, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 of hiermee verband houdende niet-tijdelijke humanitaire gronden.
- 1°.
Met een Nederlander wordt eveneens gelijkgesteld de vreemdeling ten behoeve van wie of aan wie een tegemoetkoming is verstrekt als bedoeld in de hoofdstukken 3 of 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is van toepassing op een persoon die:
- a.
een nationaliteit heeft van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland;
- b.
niet het duurzaam verblijfsrecht, bedoeld in artikel 16 van richtlijn 2004/38/EG, heeft verworven; en
- c.
geen:
- 1°.
werknemer;
- 2°.
zelfstandige;
- 3°.
persoon die de status van werknemer of zelfstandige heeft behouden; of
- 4°.
familie van een persoon als bedoeld in onderdeel 1° tot en met 3° is.
- 1°.
Artikel 2.2, tweede lid, van de wet is eveneens van toepassing op familieleden van een persoon als bedoeld in het eerste lid.
Voor deelnemers wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste en tweede lid verstrekt in de vorm van een gift ter hoogte van het bedrag van de basisbeurs voor een thuiswonende deelnemer, genoemd in artikel 3.18, overzicht 2, onder A, van de wet. De tegemoetkoming wordt toegekend in één bedrag per studiejaar. Indien de aanspraak gedurende een studiejaar ontstaat bestaat de aanspraak uit een twaalfde van het bedrag per studiejaar maal het aantal resterende maanden van dat studiejaar.
Voor studenten wordt de tegemoetkoming op grond van het eerste en tweede lid verstrekt in de vorm van een aanspraak op het collegegeldkrediet, bedoeld in artikel 3.16a, van de wet.
Op de tegemoetkoming is artikel 3.21, derde lid, van de wet van overeenkomstige toepassing.
Het onderwijs, bedoeld in artikel 2.11 van de wet, is het onderwijs aan:
- a.
Stichting Rijksakademie van beeldende kunsten te Amsterdam,
- b.
Stichting Jan van Eyk-Akademie te Maastricht, en
- c.
Opleiding Restauratoren, onderdeel van het Instituut Collectie Nederland te Amsterdam.
Vervallen
Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:
- a.
sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende,
- b.
het gezag van de ouder is beëindigd op grond van artikel 266 of 267 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek,
- c.
de studerende geen contact met de ouder heeft,
- d.
sprake is van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of
- e.
gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.
Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op:
- a.
een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of
- b.
een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd.
Van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en studerende als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, is sprake, indien de ouder om ernstige redenen structureel weigert de veronderstelde ouderlijke bijdrage te verstrekken.
Onze Minister stelt bij de ouder vast dat er sprake is van weigering. Indien die ouder geen medewerking voor die vaststelling verleent, kan de verklaring van een onafhankelijke derde voor de betreffende ouderverklaring in de plaats treden.
De ernst van het conflict wordt aangetoond aan de hand van een verklaring afgegeven door een ter zake deskundige.
Als bewijs dat het gezag van de ouder is beëindigd, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, dient een afschrift van de beschikking van de rechtbank te worden overlegd.
Van geen contact met de ouder als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, is sprake, indien de studerende vanaf de maand waarin hij de leeftijd van 12 jaren heeft bereikt geen wezenlijk contact met de ouder had. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.
Van voor de studerende niet inbare alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, is sprake, indien de alimentatie oninbaar is gedurende ten minste 12 maanden voorafgaande aan de maand waarin de studerende voor het eerst studiefinanciering ontvangt. Als bewijs dient een verklaring van een ter zake deskundige te worden overlegd.
Artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, is van toepassing indien de studerende de verblijfplaats van de ouder niet kent en die verblijfplaats niet wordt achterhaald na onderzoek van Onze Minister gedurende ten hoogste 3 maanden onderscheidenlijk ten hoogste 6 maanden in geval van onderzoek in het buitenland.
Indien een studerende van zijn ouder alimentatie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel d, ontvangt, komt het door de rechter vastgestelde bedrag aan alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijk bijdrage. Als bewijs van de hoogte van de alimentatie dient in ieder geval de beschikking van de rechtbank of een notariële akte te worden overlegd. Het bedrag dat in het bewijsstuk wordt genoemd, wordt vermeerderd met de wettelijke indexering.
Indien nog geen beschikking is afgegeven, wordt de door de rechter vastgestelde alimentatie van de studerende in de plaats van de veronderstelde ouderlijke bijdrage gesteld vanaf de ingangsdatum van de alimentatie zoals die datum door de rechter is vastgesteld.
In aanvulling op het begrip partner, genoemd in artikel 1.1, eerste lid, van de wet, is in dit hoofdstuk slechts sprake van partner van de debiteur indien in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak het partnerschap een tijdvak van meer dan 6 maanden omvat.
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon.
Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur zonder partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 1,5 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.
De hoogte van de kwijtschelding tussen 1,5 en 2 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.
Gehele kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak gelijk is aan of lager is dan 2 maal het belastbaar minimumloon.
Gedeeltelijke kwijtschelding van de aanvullende beurs kan plaatsvinden indien het toetsingsinkomen van de debiteur en diens partner in het derde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak hoger is dan 2 maal het belastbaar minimumloon en lager is dan 2,5 maal het belastbaar minimumloon.
De hoogte van de kwijtschelding tussen 2 en 2,5 maal het belastbaar minimumloon neemt in evenredigheid af tot nihil naarmate het toetsingsinkomen hoger is.
Onze Minister neemt een aanvraag die wordt ingediend voor 1 november van het vierde jaar volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak, niet eerder dan op die datum in behandeling, waarbij 1 november geldt als datum van indiening.
Onze Minister besluit binnen 8 weken na de indiening van een aanvraag van een debiteur om kwijtschelding van de aanvullende beurs.
Onze Minister neemt slechts een aanvraag in behandeling die wordt ingediend binnen de diplomatermijn, genoemd in de artikelen 4.9 en 5.5 van de wet, of, indien dit daarna is, binnen 5 jaren volgend op het kalenderjaar van het laatste studiefinancieringstijdvak.
Het kwijt te schelden bedrag wordt aan de aanvrager uitbetaald indien verrekening niet mogelijk is.
Studiefinanciering wordt uitbetaald tussen de twintigste en dertigste dag van elke maand.
Indien een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 7.1, eerste en tweede lid, van de wet een beschikking op een bezwaarschrift of een uitspraak op een beroep daartoe aanleiding geeft, verrekent Onze Minister het bedrag aan studiefinanciering dat te weinig was toegekend met de betrokkene, of wordt dat bedrag ineens aan de betrokkene uitbetaald.
Vervallen
Vervallen
Het verstrekken van inlichtingen, benodigd voor de uitvoering van de wet, door organen met een publiekrechtelijke taak geschiedt binnen 8 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen, indien door het college van burgemeester en wethouders te verschaffen inlichtingen onderzoek buiten de basisregistratie personen noodzakelijk maken. In alle overige gevallen geschiedt het verstrekken van inlichtingen binnen 4 weken na de dag van verzending van de aanvraag om inlichtingen. Onze Minister kan bij de aanvraag om inlichtingen aangeven hoe de overdracht van informatie plaatsvindt.
Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.9, tweede lid, 3.9a en 3.17, eerste lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die het indexcijfer van de CAO-lonen in het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
Onze Minister past de bedragen, genoemd in de artikelen 3.18, met uitzondering van de maximale aanvullende beurs, 4.7, 4.18, 5.2, 6.2a, tweede lid, 12.14, tweede lid, en 12.16, eerste en tweede lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar aan met de procentuele wijziging die de consumentenprijsindex over het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar heeft ondergaan.
Onze minister past het bedrag genoemd in artikel 3.17, vierde lid, van de wet, per 1 januari van ieder kalenderjaar zodanig aan dat het gelijk is aan het in artikel 3.18, overzicht 2, onder A, van de wet genoemde bedrag van de maximale aanvullende beurs voor een thuiswonende deelnemer vermeerderd met een twaalfde deel van het lesgeld, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Les- en cursusgeldwet.
Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder de consumentenprijsindex en het indexcijfer van de CAO-lonen wordt verstaan.
Vervallen
De waarde van de voucher bedraagt € 2.000 naar de maatstaf van 1 januari 2017.
De voucher wordt in één keer verzilverd.
In afwijking van het tweede lid kan een rechthebbende de voucher in meer dan één keer verzilveren als het vouchertegoed de kosten voor de toegang tot het onderwijs overstijgt.
Het vouchertegoed wordt overeenkomstig artikel 17, tweede lid, aangepast.
De aanvraag voor de voucher wordt gedaan op een bij ministeriële regeling te bepalen wijze.
Indien artikel 19, derde lid, toepassing vindt, kan de rechthebbende een nieuwe aanvraag indienen voor de resterende waarde van de voucher.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de inschrijving, bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, onderdeel c, van de wet, verband houdend met de aanvraag van een voucher.
Onze Minister kent het vouchertegoed toe, indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 12.15, tweede lid, van de wet.
Het in te zetten vouchertegoed wordt op bij ministeriële regeling te bepalen wijze uitgekeerd aan een instelling voor hoger onderwijs die de opleiding aanbiedt die de student met gebruikmaking van de voucher wil volgen.
De instelling voor hoger onderwijs brengt het vouchertegoed in mindering op het door de student te betalen bedrag voor de toegang tot het onderwijs.
Indien een instelling voor hoger onderwijs na voortijdige beëindiging van de inschrijving van de student, of na het overlijden van de student, de kosten voor de toegang tot het onderwijs geheel of ten dele aan de student terugbetaalt, wordt op die terugbetaling de ingezette voucher ingehouden. Het ingehouden bedrag van de voucher vervalt aan de instelling.
Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 20, verklaart de student dat hij indien artikel 7.48, vierde lid, van de WHW van toepassing is, afstand doet van zijn aanspraak op de teruggave van dat deel van het wettelijk collegegeld dat is verrekend met de waarde van de voucher.
Indien de middelen verkregen door de inschrijving van een student met een voucher door de instelling voor hoger onderwijs ondoelmatig worden aangewend, kan het door de student ingezette vouchertegoed door Onze Minister worden teruggevorderd van de instelling. Van ondoelmatige aanwending is in ieder geval sprake indien de student met een voucher op enigerlei wijze wordt gecompenseerd.
Indien de situatie, bedoeld in het eerste lid, zich anders dan incidenteel voordoet, kan Onze Minister de vouchertegoeden die de instelling als gevolg van inschrijvingen door studenten met een voucher heeft ontvangen, terugvorderen van de instelling.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Op een student die voor 1 september 2007 op grond van artikel 3a studiefinanciering ontving, blijft artikel 3a, zoals dat luidde op 31 augustus 2007, van toepassing zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering op grond van dat artikel geniet.
Vervallen
Artikel 17, tweede lid, is niet van toepassing in de kalenderjaren 2011 en 2012.
Wijzigt het Bekostigingsbesluit WHW.
Wijzigt het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998.
Wijzigt het Besluit bijdragen justitiële kinderbescherming en vrijwillige jeugdhulpverlening.
Wijzigt het Besluit categorieën van verzekerden Wtz 1998.
Wijzigt het Besluit geneeskundige verzorging politie 1994.
Wijzigt het Besluit passende arbeid schoolverlaters en academici.
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming studiekosten.
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekpersoneel.
Wijzigt het Besluit tegemoetkoming ziektekosten rijkspersoneel.
Wijzigt het Bijdragebesluit Zorg.
Wijzigt het Inkomens- en samenloopbesluit Anw.
Wijzigt het Inkomensbesluit IOAW.
Wijzigt het Inkomensbesluit Toeslagenwet.
Wijzigt het Interimbesluit ziektekosten burgerlijke ambtenaren defensie.
Wijzigt het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel.
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WEB.
Wijzigt het Uitvoeringsbesluit WHW.
Wijzigt het Verplaatsingskostenbesluit militairen.
Het Besluit studiefinanciering wordt ingetrokken.
In afwijking van het eerste lid blijven de artikelen 16m en 16n van het Besluit studiefinanciering van kracht tot het tijdstip waarop de wet houdende Wet opheffing College van beroep studiefinanciering (Stb. 2000, 284) in werking treedt.
Dit besluit treedt in werking op 1 september 2000.
Dit besluit wordt aangehaald als «Besluit studiefinanciering 2000».
Vervallen