Regeling · BWBR0017626
Besluit spoorweginfrastructuur
Op de voordracht van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 19 december 2003, nr. HDJZ/S&W/2003-1876, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 6, 8 tot en met 12, 23, en 87 van de Spoorwegwet;
De Raad van State gehoord (advies van 2 maart 2004, nr. W09.03.0543/V);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat van 29 november 2004, nr. HDJZ/S&W/2004-2894, Hoofddirectie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
's-Gravenhage3 december 2004BeatrixDe Minister van Verkeer en Waterstaat ,K. M. H.Peijsde eenentwintigste december 2004De Minister van Justitie ,J. P. H.DonnerIn dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
gebruik van een hoofdspoorweg: met een spoorvoertuig rijden over of stilstaan op een hoofdspoorweg;
wet: Spoorwegwet.
Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld waaraan hoofdspoorweginfrastructuur moet voldoen.
Deze eisen hebben onder meer betrekking op aspecten als bedoeld in artikel 6 van de wet.
Onze Minister kan ontheffing verlenen van de eisen, bedoeld in artikel 2.
De beheerder legt bij zijn aanvraag voor een ontheffing de bescheiden over en verstrekt de inlichtingen die Onze Minister noodzakelijk acht.
Onze Minister vermeldt in de beschikking tot ontheffingverlening in ieder geval:
- a.
de eisen waarvan ontheffing is verleend;
- b.
de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c.
de datum van afgifte;
- d.
de geldigheidsduur.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Vervallen
De begrenzing van de hoofdspoorweg en de daarnaast gelegen gronden wordt aan weerszijden gevormd door een lijn liggend op een afstand van:
- a.
elf meter bij een hoofdspoorweg op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, zijnde een denkbeeldige lijn in de lengterichting van het spoor midden tussen beide spoorstaven;
- b.
zes meter bij een hoofdspoorweg in ingraving, gemeten uit de bovenzijde van de ingraving;
- c.
zes meter bij een hoofdspoorweg in ophoging, gemeten uit de teen van het talud;
- d.
dertig meter bij een hoofdspoorweg in een tunnel, gemeten vanaf de buitenste wand van de tunnel;
- e.
dertig meter bij een hoofdspoorweg op een brug of op een viaduct, gemeten vanaf de buitenste rand van de constructie;
- f.
veertien meter bij een hoofdspoorweg gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor, indien het betreft het hebben of opslaan van licht ontvlambare stoffen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d, van de wet.
Indien bij een hoofdspoorweg in ingraving of in ophoging de afstand tussen het hart van het buitenste spoor en de bovenkant van de ingraving of teen van het talud minder bedraagt dan vijf meter, wordt de begrenzing vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, onderdeel a.
Bij besluit van Onze Minister kan, gehoord de beheerder, met het oog op de bescherming van de fysieke integriteit van de hoofdspoorwegen en in het belang van een veilig en ongestoord gebruik daarvan, een begrenzing worden vastgesteld die afwijkt van het eerste of tweede lid.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, wordt de begrenzing van een deel van de hoofdspoorwegen die uitsluitend bestemd zijn voor het verrichten van goederenvervoer ten behoeve van de lokale ontsluiting van haven- en industriegebieden, gevormd door een lijn liggend op een afstand van drie meter op maaiveldniveau, gemeten vanaf het hart van het buitenste spoor. Wanneer op grond van artikel 2, eerste lid, of 124, eerste lid, van de wet een spoorweg wordt aangewezen als hoofdspoorweg, wordt daarbij bepaald of de hoofdspoorweg onder het bereik van dit lid valt.
Vervallen
Vervallen
Vervallen
Onze Minister bepaalt:
- a.
voor welke beweegbare bruggen door hem vaste openingstijden worden vastgesteld;
- b.
welke beweegbare bruggen op verzoek van de schipper worden geopend volgens een door hem goed te keuren regeling van de beheerder;
- c.
welke beweegbare bruggen als regel geopend zijn, en alleen gesloten zijn als er een trein moet passeren;
- d.
bij welke beweegbare bruggen door hem voor te schrijven communicatiemiddelen ten behoeve van de scheepvaart aanwezig moeten zijn;
- e.
ten aanzien van welke bruggen de beheerder door hem goed te keuren voorwaarden voor de doorvaart vaststelt, voor zover dit in verband met de uit de afmetingen van schepen voortvloeiende gevaren en beperkingen en met het oog daarop te nemen maatregelen nodig is.
Onze Minister hoort, alvorens hij zijn bevoegdheden ingevolge het eerste lid uitoefent, de beheerder, de vaarwegbeheerder en vertegenwoordigers uit de scheepvaart.
Onze Minister kan bepalen hoe lang voordat een trein een brug, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, moet passeren, met het sluiten van de brug kan of moet worden aangevangen.
Indien in een vaarweg ter plaatse van een beweegbare brug de scheepvaart is gestremd, kan in afwijking van hetgeen in of krachtens de vorige leden is bepaald, de brug gesloten blijven.
De beheerder draagt er zorg voor, dat bij de bruggen tekens worden getoond overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6.25 en 6.26, vierde en vijfde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement, met dien verstande dat het teken, bedoeld in artikel 6.26, vierde lid, onderdeel f, van het Binnenvaartpolitiereglement, alleen wordt gebruikt indien Onze Minister zulks bepaalt of goedkeurt.
In het geval van gestoorde lichttekens toont de beheerder een bord als bedoeld in artikel 6.26, zesde lid, van het Binnenvaartpolitiereglement.
Artikel 6.26 van het Binnenvaartpolitiereglement is van overeenkomstige toepassing, voor zover in dit besluit daar niet van wordt afgeweken.
Vergunningen die ingevolge artikel 15 van het Reglement dienst hoofd- en lokaalspoorwegen (Stb. 1977, 152) en ontheffingen die ingevolge artikel 39 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend van de artikelen 36, eerste lid, 37 en 38 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 19 van de wet.
Ontheffingen die ingevolge artikel 39 van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) zijn verleend van artikel 36, tweede lid, van de Spoorwegwet (Stb. 1875, 67) en gelden op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, worden vanaf de dag waarop dit besluit in werking treedt, aangemerkt als verleend op grond van artikel 21 van de wet.
Vervallen
Vervallen
Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit hoofdspoorweginfrastructuur.
De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.