Ministeriële regeling · BWBR0017728
Regeling veiligheid zeeschepen
Gelet op de artikelen 12, 22, 32, 46, 48, eerste lid, 51, 54, 58 en 65 van het Schepenbesluit 2004, de artikelen 5, eerste lid, 26e, tweede lid, en 26f van de Schepenwet en de artikelen 3, eerste lid, 7, eerste lid, en 11, tweede lid, van de Wet buitenlandse schepen, op richtlijn nr. 92/29/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 maart 1992 betreffende de minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid ter bevordering van een betere medische hulpverlening aan boord van schepen (PbEG L 113), alsmede op de in artikel 1 van deze regeling genoemde Codes, richtlijnen en verordeningen;
Besluit:
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlage, die ter inzage wordt gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
De Minister van Verkeer en Waterstaat, K.M.H.PeijsIn deze regeling wordt verstaan onder:
- a.
besluit: Schepenbesluit 2004;
- b.
BC-Code: de bij resolutie A.434(XI) van de Algemene Vergadering van de Intergouvernementele Maritieme Consultatieve Organisatie (IMCO) van de Verenigde Naties aangenomen Code voor het veilig vervoer van vaste bulklading (Bulk Cargoes Code);
- c.
DSC-Code: de bij resolutie A.373(X) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de veiligheid van dynamisch ondersteunde schepen (Dynamically Supported Craft Code);
- d.
Houtvaartcode: de bij resolutie A.715(17) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor het veilig vervoer van deklast hout (Code of Safe Practice for Ships Carrying Timber Deck Cargoes);
- e.
MODU-Code 1979: de bij resolutie A.414(XI) van de Algemene Vergadering van de IMCO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1979 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1979);
- f.
MODU-Code 1989: de bij resolutie A.649(16) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de bouw en uitrusting van verplaatsbare offshore booreenheden 1989 (Mobile Offshore Drilling Units Code, 1989);
- g.
SPS-Code: de bij resolutie A.534(13) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Code voor de veiligheid van schepen voor bijzondere doeleinden (Special Purpose Ships Code);
- h.
EmS-Gids: de bij circulaire MSC/Circ.1025 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Noodmaatregelen en -procedures voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen worden vervoerd (Emergency response procedures for ships carrying dangerous goods; EmS Guide);
- i.
richtlijn 96/98/EG: richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG 1997, L 46);
- j.
richtlijn 98/18/EG: richtlijn nr. 98/18/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (PbEG L 144);
- k.
richtlijn 98/41/EG: richtlijn nr. 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PbEG L 188);
- l.
richtlijn 1999/5/EG: richtlijn nr. 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (PbEG L 91);
- m.
richtlijn 1999/35/EG: richtlijn nr. 1999/35/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 1999 betreffende een stelsel van verplichte onderzoeken voor de veilige exploitatie van geregelde diensten met ro-ro-veerboten en hogesnelheidsschepen (PbEG L 138);
- n.
richtlijn 2003/25/EG: richtlijn nr. 2003/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 april 2003 betreffende specifieke stabiliteitsvereisten voor ro-ro-passagiersschepen (PbEU L 123);
- o.
verordening (EG) 725/2004: verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129).
Voor de toepassing van het besluit en deze regeling wordt met een internationale reis gelijkgesteld een reis tussen Nederland en de Nederlandse Antillen of Aruba.
Als bouwdatum van een schip wordt aangemerkt de dag waarop de kiel van het schip is gelegd, dan wel de dag waarop met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes of richtlijnen is bepaald, een met de kiellegging vergelijkbaar stadium is bereikt. Artikel 2, tweede lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing.
Deze regeling is, tenzij uitdrukkelijk anders bepaald, van toepassing op schepen die op grond van Nederlandse rechtsregels gerechtigd zijn de vlag van het Koninkrijk te voeren.
Voor passagiersschepen waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, benodigd.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a.
schepen, gebouwd voor 1 juli 1998, met een lengte van minder dan 24 meter;
- b.
overeenkomstig de DSC-Code, de HSC-Code 1994 of de HSC-Code 2000 gecertificeerde schepen;
- c.
schepen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van richtlijn 98/18/EG.
Voor verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979 en 1989 zijn de volgende certificaten benodigd:
- a.
voor booreenheden, gebouwd voor 1 mei 1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1979;
- b.
voor booreenheden, gebouwd op of na 1 mei 1991: het veiligheidscertificaat voor verplaatsbare offshore booreenheden, behorend bij de MODU-Code 1989.
Voor een schip ten aanzien waarvan op grond van artikel 12 is gekozen voor toepassing van de DSC-Code of de SPS-Code, is het bij de desbetreffende Code behorende certificaat benodigd. Indien is gekozen voor toepassing van de DSC-Code, is voor het schip tevens de bij die Code behorende exploitatievergunning benodigd.
Voor ro-ro-passagiersschepen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2003/25/EG waarmee in het kader van een geregelde dienst internationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie, is een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd, waaruit blijkt dat zij aan de specifieke stabiliteitsvereisten van die richtlijn voldoen.
Het in het eerste lid bedoelde certificaat wordt gecombineerd met het ingevolge artikel 5 van het besluit benodigde internationaal veiligheidscertificaat voor passagiersschepen.
Artikel 9, aanhef en onderdeel b, van het besluit is met ingang van 1 juli 2005 van overeenkomstige toepassing op passagiersschepen, behorende tot klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 98/18/EG, waarmee nationale reizen worden ondernomen van of naar een haven in de Europese Unie.
Het eerste lid is niet van toepassing op schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing en op houten of primitief gebouwde schepen.
De in de artikelen 4 tot en met 7 bedoelde certificaten gaan vergezeld van de bij die certificaten behorende uitrustingsrapporten en aanhangsels, alsmede van de in de desbetreffende Codes of richtlijnen voorgeschreven stabiliteitsgegevens of andere gegevens met betrekking tot schip of lading.
Passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, benodigd is, worden ter verkrijging van dat certificaat en tijdens de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in artikel 10 van richtlijn 98/18/EG voorgeschreven onderzoeken.
Verplaatsbare offshore booreenheden als bedoeld in de MODU-Code 1979 of 1989 worden ter verkrijging van de voor die schepen benodigde certificaten en gedurende de geldigheidsduur daarvan onderworpen aan de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken.
De eigenaar van een schip, behorend tot een van de navolgende categorieën van schepen, kan er voor kiezen om dat schip te laten onderzoeken en certificeren met inachtneming van:
- a.
voor dynamisch ondersteunde schepen als bedoeld in de DSC-Code, gebouwd voor 1 januari 1996: de voorschriften van de DSC-Code;
- b.
voor schepen, bestemd voor bijzondere doeleinden als bedoeld in de SPS-Code: de voorschriften van de SPS-Code.
Indien ten aanzien van een schip is gekozen voor toepassing van een in het eerste lid genoemde Code, treden de in de desbetreffende Code voorgeschreven onderzoeken in de plaats van de in artikel 14 of 15 van het besluit bedoelde onderzoeken.
Ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 1999/35/EG, waarmee in het kader van een geregelde dienst internationale reizen worden ondernomen vanuit een haven in de Europese Unie, worden onderworpen aan de in de artikelen 4, 6 en 8 van richtlijn 1999/35/EG voorgeschreven controles en onderzoeken. Tevens wordt door de staten van ontvangst als bedoeld in artikel 2 van die richtlijn nagegaan of aan de eisen, bedoeld in artikel 5 van richtlijn 1999/35/EG, is voldaan.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op ro-ro-veerboten en hogesnelheidspassagiersschepen waarmee in het kader van een geregelde dienst nationale reizen in zeegebieden van klasse A als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 98/18/EG worden ondernomen.
Voor schepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, strekken de in het eerste lid bedoelde controles en onderzoeken er tevens toe om vast te stellen of aan de specifieke stabiliteitsvereisten van richtlijn 2003/25/EG is voldaan.
Toepassing van richtlijn 1999/35/EG geschiedt met inachtneming van de artikelen 7, 9, 10, 11, 13, 14 en 15 van die richtlijn.
De in de artikelen 10 tot en met 13 bedoelde onderzoeken vinden plaats op de in de desbetreffende Codes en richtlijnen voorgeschreven tijdstippen, met dien verstande dat het hernieuwde onderzoek waaraan een schip in verband met de vernieuwing van een certificaat wordt onderworpen, steeds plaatsvindt in de laatste drie maanden van de geldigheidsduur van het desbetreffende certificaat.
De onderzoeken, bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het besluit, worden uitgevoerd door een daartoe krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie naar keuze van de eigenaar.
De onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 13, 14, 16 en 17 van het besluit of de artikelen 11 en 12 van deze regeling wordt onderworpen, worden voor schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, onderdeel a of b, of 7 van het besluit benodigd is, uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd.
De onderzoeken waaraan een schip, niet zijnde een schip als bedoeld in het tweede lid, ingevolge de artikelen 13, 14, 15 of 17 van het besluit of de artikelen 10 tot en met 12 van deze regeling wordt onderworpen, worden uitgevoerd door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen organisatie waar het schip is geklasseerd of, indien het schip niet is geklasseerd, door ambtenaren van de Scheepvaartinspectie.
Indien krachtens artikel 23 van het besluit voor bepaalde onderzoeken ook andere organisaties dan de in het tweede en derde lid bedoelde organisaties zijn aangewezen, mogen de desbetreffende onderzoeken in afwijking van het tweede en derde lid ook door deze andere organisaties worden uitgevoerd.
Van de onderzoeken waaraan een schip ingevolge de artikelen 10 tot en met 12 en 13, derde lid, tijdens de geldigheidsduur van een certificaat wordt onderworpen, wordt door degene die het onderzoek heeft verricht, aantekening geplaatst op het certificaat.
Het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, heeft een geldigheidsduur van een jaar. Het certificaat mag, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in artikel 11 van de richtlijn is bepaald, met ten hoogste een maand worden verlengd.
De artikelen 29, tweede lid, en 30, aanhef en onderdeel a, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
De in artikel 6 bedoelde certificaten hebben, indien zij zijn afgegeven voor een passagiersschip, een geldigheidsduur van een jaar. De in artikel 5 bedoelde certificaten hebben, evenals de in artikel 6 bedoelde certificaten die zijn afgegeven voor vrachtschepen, een geldigheidsduur van vijf jaren.
De geldigheidsduur van een certificaat als bedoeld in artikel 7 is gelijk aan de geldigheidsduur van het internationale veiligheidscertificaat voor passagiersschepen waarmee het wordt gecombineerd.
De artikelen 29, tweede lid, 30 en 31 van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing op certificaten als bedoeld in het eerste lid.
Een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, benodigd is, voldoet aan de ingevolge de artikelen 6, eerste tot en met derde lid, en 6 bis van die richtlijn op dat schip toepasselijke eisen.
Als zeegebieden van de klassen A, B, C en D als bedoeld in artikel 4 van richtlijn 98/18/EG worden aangewezen de in bijlage 1 bij deze regeling aangegeven zeegebieden.
Aan boord van schepen als bedoeld in het eerste lid, gebouwd op of na 1 oktober 2004, die worden gebruikt voor openbaar vervoer, worden met inachtneming van de in bijlage III van richtlijn 98/18/EG opgenomen richtsnoeren passende maatregelen getroffen voor de veiligheid van en de toegankelijkheid voor personen met verminderde mobiliteit.
Het derde lid is, voorzover dat in economisch opzicht redelijk en uitvoerbaar is, van overeenkomstige toepassing op schepen, gebouwd voor 1 oktober 2004, die na die datum een verbouwing ondergaan.
Een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de DSC-Code of de SPS-Code, benodigd is, voldoet aan de eisen van de desbetreffende Code.
Indien in een Code als bedoeld in het eerste lid wordt verwezen naar het Uitwateringsverdrag of het SOLAS-verdrag, wordt dat verdrag toegepast met inachtneming van alle op grond van artikel 71 van het besluit toepasselijke wijzigingen van dat verdrag.
Offshore bevoorradingsschepen voldoen aan de eisen van bekendmaking aan de scheepvaart nr. 280/1992 (Stcrt. 70).
Offshore ondersteuningsschepen, gebruikt voor het vervoer van beperkte hoeveelheden gevaarlijke of schadelijke stoffen in bulk, voldoen aan de eisen van bekendmaking aan de scheepvaart nr. 281/1992 (Stcrt. 70).
Een schip voldoet aan de op dat schip toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand van bekendmaking aan de scheepvaart nr. 255/1990 (Stcrt. 117) of bekendmaking aan de scheepvaart nr. 279/1992 (Stcrt. 70).
Het eerste lid is niet van toepassing op offshore bevoorradingsschepen, op passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, benodigd is, en op vrachtschepen met een lengte van minder dan 12 meter waarvoor geen certificaat benodigd is.
Ro-ro-passagiersschepen waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 2003/25/EG benodigd is, voldoen tevens aan de ingevolge de artikelen 6 en 7 van die richtlijn toepasselijke stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand.
De elektrische installaties aan boord van een schip voldoen aan de normen in Publicatie 92 (Elektrische installaties aan boord van schepen) van de Internationale Elektrotechnische Commissie of daaraan gelijkwaardige normen van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau.
De bouw en inrichting en het onderhoud van elektrische personenliften voldoen aan:
- a.
de regels van een krachtens artikel 36 van het besluit aangewezen klassenbureau, of:
- b.
de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN 28 383.
In aanvulling op voorschrift II-1/42.2, onderscheidenlijk II-1/43.2, van het SOLAS-verdrag is de aan boord van een schip aanwezige elektrische noodkrachtbron tevens in staat om gedurende ten minste 36 uur, indien het een passagiersschip betreft, en ten minste 18 uur, indien het een vrachtschip betreft, stroom te leveren ten behoeve van de noodverlichting in kombuizen, eetzalen en andere ruimten voor algemeen gebruik.
Aan boord van een schip worden de in bekendmaking aan de scheepvaart nr. 213/1987 (Stcrt. 114) voorgeschreven maatregelen ter beperking van geluidhinder getroffen.
De opstelling en inrichting van acetyleen las- en snij-installaties voldoet aan de eisen vanbekendmaking nr. 35/1965 (Stcrt. 169).
De voorschriften V/19.2.3.1 en V/19.2.3.4 van het SOLAS-verdrag zijn van overeenkomstige toepassing op vrachtschepen van minder dan 300 GT.
Voorschrift V/19.2.5.4 van het SOLAS-verdrag is van overeenkomstige toepassing op schepen van minder dan 500 GT, met uitzondering van passagiersschepen waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen, behorend bij richtlijn 98/18/EG, benodigd is.
Aan boord van een schip is de in bijlage 2 bij deze regeling voorgeschreven medische uitrusting met de daarbij behorende handleidingen en controlelijsten aanwezig.
Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VIIvan heSOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de bij circulaire MSC/Circ.857 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Medische Eerste Hulp Gids bij ongevallen met gevaarlijke stoffen (Medical First Aid Guide for use in accidents involving dangerous goods; MFAG) aanwezig.
Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in plaats van een Nederlandstalige uitgave een Engelstalige uitgave van de in het tweede lid bedoelde Gids aanwezig.
Het eerste lid is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen.
Een schip waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat, een nationaal veiligheidscertificaat of een certificaat als bedoeld in artikel 5 of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat tevens aan de ingevolge de artikelen 21, 22, eerste lid, 23, 24 en 25 toepasselijke eisen.
Een schip waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5 of 6 benodigd is, voldoet ter verkrijging van dat certificaat bovendien aan de ingevolge artikel 40, derde lid, van het besluit toepasselijke eisen van hoofdstuk V van het SOLAS-verdrag.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Europese richtlijnen of IMO-resoluties is bepaald, afwijking toestaan van de in de artikelen 19 tot en met 24 bedoelde eisen, indien aan boord van het schip een voorziening wordt getroffen die naar zijn oordeel ten minste gelijkwaardig is aan de in het voorschrift waarvan wordt afgeweken, geëiste voorziening.
Dit artikel is van toepassing op schepen die vanuit een scheepsregister in een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, zijn overgeschreven naar een Nederlands scheepsregister.
Met de in de artikelen 20, 21, 22, eerste lid, 23 en 24 bedoelde technische normen of technische eisen worden gelijkgesteld daaraan gelijkwaardige technische normen of technische eisen, vastgesteld door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie of een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
De veiligheidscommissie aan boord van een schip met een bemanning van meer dan vijftien personen bestaat uit ten minste twee bevaren schepelingen. In de commissie zijn zowel de scheepsofficieren als de scheepsgezellen vertegenwoordigd.
Aan boord van een schip met een bemanning van ten hoogste vijftien personen wordt ten minste één veiligheidscommissaris benoemd.
De verplichting, bedoeld in artikel 26e, eerste lid, van de Schepenwet, geldt niet voor vissersvaartuigen en schepen met een bemanning van minder dan vijf personen.
De eigenaar van een passagiersschip voorziet in een systeem voor de registratie van passagiersgegevens, dat voldoet aan richtlijn 98/41/EG.
Voorts draagt de eigenaar zorg voor de aanstelling van een passagiersregistratiebeambte als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 98/41/EG, die is belast met de in artikel 8 van die richtlijn genoemde taken.
De eigenaar draagt er zorg voor dat de passagiersgegevens te allen tijde onmiddellijk beschikbaar zijn om aan de aangewezen instantie te worden doorgegeven voor opsporings- en reddingsoperaties in een noodgeval of na een ongeluk.
De eigenaar draagt er tevens zorg voor dat nadere gegevens over personen die hebben verklaard in noodsituaties speciale zorg of bijstand nodig te hebben, naar behoren worden geregistreerd en aan de kapitein worden doorgegeven voordat het passagiersschip vertrekt.
Persoonsgegevens van passagiers worden niet langer bewaard dan noodzakelijk is in verband met opsporings- en reddingsactiviteiten.
De nationale instantie waartoe de in voorschrift XI-2/6.2.1 van het SOLAS-verdrag bedoelde, door het Ship Security Alert System gegenereerde alarmmeldingen kunnen worden gericht, is het Kustwachtcentrum te Den Helder.
Toepassing van de ISPS-Code geschiedt met inachtneming van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, van verordening (EG) 725/2004 verplichte bepalingen van deel B van die Code.
Beveiligingsverklaringen als bedoeld in voorschrift XI-2/1.15 van het SOLAS-verdrag worden minimaal 3 maanden bewaard, of zoveel langer als nodig is om aan voorschrift XI-2/9.2.3 van dat verdrag te voldoen. De minimumtermijn voor het bewaren van de in voorschrift A/10.1 van de ISPS-Code bedoelde documentatie bedraagt drie jaren.
Deze paragraaf is van toepassing op uitrusting waarvoor bij plaatsing aan boord van een schip, gelet op de op dat schip toepasselijke eisen, een typegoedkeuring is vereist.
Onder uitrusting waarvoor een typegoedkeuring is vereist, wordt mede verstaan uitrusting als bedoeld in voorschrift V/18.7 van het SOLAS-verdrag.
Uitrusting als bedoeld in bijlage A.1 van richtlijn 96/98/EG mag slechts aan boord worden geplaatst, indien zij:
- a.
is voorzien van het in bijlage D van richtlijn 96/98/EG weergegeven merk van overeenstemming, of
- b.
vergezeld gaat van een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Wet scheepsuitrusting.
Gebruik van uitrusting waarvoor een certificaat van gelijkwaardigheid of een certificaat ten behoeve van beproeving is afgegeven, is slechts toegestaan met inachtneming van de aan het desbetreffende certificaat verbonden voorschriften of beperkingen.
Indien een schip zich in een haven buiten de Europese Unie bevindt en het vanuit het oogpunt van tijd, vertraging en kosten redelijkerwijs niet uitvoerbaar is om uitrusting aan boord te plaatsen waarvoor overeenkomstig richtlijn 96/98/EG een EG-typegoedkeuring is verleend, mogen noodzakelijke vervangingen van uitrusting in afwijking van het eerste lid geschieden door het aan boord plaatsen van niet overeenkomstig richtlijn 96/98/EG goedgekeurde uitrusting, mits daarbij wordt voldaan aan de in artikel 16, eerste en tweede lid, van die richtlijn genoemde voorwaarden.
Uitrusting, niet zijnde uitrusting als bedoeld in bijlage A.1 van richtlijn 96/98/EG, is van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type.
Het Hoofd van de Scheepvaartinspectie kan in afwijking van artikel 33 toestaan dat aan boord van bepaalde categorieën schepen, niet zijnde schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5 van het besluit benodigd is, uitrusting wordt geplaatst die niet aan de prestatie- en beproevingsnormen uit bijlage A.1 van richtlijn 96/98/EG voldoet, en voor die uitrusting een typegoedkeuring verlenen, mits zulks zonder gevaar voor die schepen en hun opvarenden mogelijk is.
Aan een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste of tweede lid kunnen beperkingen met betrekking tot het gebruik van de desbetreffende uitrusting worden verbonden.
In afwijking van de artikelen 33 en 34, eerste lid, mag aan boord van vrachtschepen van minder dan 150 GT waarmee internationale reizen worden ondernomen, en vrachtschepen van minder dan 300 GT waarmee nationale reizen worden ondernomen, tevens apparatuur worden geplaatst die is voorzien van het in bijlage VII van richtlijn 1999/5/EG bedoelde CE-overeenstemmingsmerkteken voor radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur, mits die apparatuur zodanig is ontworpen dat haar correcte werking in een maritieme omgeving is gegarandeerd.
Met een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie verleende typegoedkeuring wordt gelijkgesteld een daaraan gelijkwaardige typegoedkeuring, verleend door of vanwege een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel door of vanwege een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte.
Indien ten aanzien van uitrusting die is voorzien van het merk van overeenstemming, bedoeld in bijlage D van richtlijn 96/98/EG, toepassing is gegeven aan artikel 23, eerste lid, van de Wet scheepsuitrusting, neemt het Hoofd van de Scheepvaartinspectie passende voorlopige maatregelen om te voorkomen dat die uitrusting aan boord van schepen wordt geplaatst of gebruikt. Zonodig verbiedt hij de plaatsing of het gebruik aan boord van schepen.
Artikel 23, tweede lid, van de Wet scheepsuitrusting is van overeenkomstige toepassing.
Dit artikel is van toepassing op baggermaterieel als bedoeld in IMO-Circulaire nr. 2285: Richtlijnen voor de bouw en het gebruik van baggermaterieel met verminderd vrijboord (Guidelines for the Construction and Operation of Dredgers Assigned Reduced Freeboards; DR-67).
Aan baggermaterieel van 500 GT of meer, gebouwd op of na 5 augustus 2000, dat voldoet aan de in het eerste lid bedoelde richtlijnen, kan door de vaststelling van een baggerlastlijn een verminderd vrijboord worden toegekend voor het laden, lossen en vervoeren van bagger.
Aan de toekenning van het verminderde vrijboord kunnen beperkingen met betrekking tot vaargebieden en vaarcondities worden verbonden. Deze beperkingen worden vermeld op het internationaal certificaat van vrijstelling betreffende de uitwatering of, indien voor het schip een nationaal veiligheidscertificaat benodigd is, in een aanhangsel bij dat certificaat.
Schepen waarvoor een internationaal veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, van het besluit benodigd is, zijn vrijgesteld van:
- a.
indien zij voldoen aan de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989 of de DSC-Code: de in de hoofdstukken II-1, II-2, III en IV van het SOLAS-verdrag opgenomen eisen;
- b.
indien zij voldoen aan de SPS-Code: de in die Code aangegeven eisen van het SOLAS-verdrag.
Schepen die bedrijfsmatig worden gebruikt voor recreatieve visserij met meer dan 12 passagiers, zijn, indien zij op 17 augustus 2000 waren voorzien van een op grond van het Schepenbesluit 1965 afgegeven geldig certificaat van deugdelijkheid, bij het ondernemen van nationale reizen vrijgesteld van:
- a.
de stabiliteitseisen voor schepen in beschadigde toestand, opgenomen in hoofdstuk II-1, deel B, van de bijlage bij richtlijn 98/18/EG, mits ten minste wordt voldaan aan de stabiliteitseisen voor schepen in onbeschadigde toestand, opgenomen in bekendmaking aan de scheepvaart nr. 279/1992 (Stcrt. 70);
- b.
de eisen inzake constructieve brandbescherming, opgenomen in hoofdstuk II-2 van de bijlage bij richtlijn 98/18/EG, mits is voldaan aan de voorwaarde dat in elk geval de verblijven voor passagiers voldoen aan de eisen inzake constructieve brandbescherming voor vrachtschepen uit bijlage IV van het Schepenbesluit 1965, zoals die luidden op 31 december 2004, of aan de voorwaarde dat de vluchtwegen uit die verblijven naar het open dek voldoende breed zijn en korter dan vijf meter.
Aan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling zijn de navolgende beperkingen verbonden:
- a.
de vrijstelling geldt uitsluitend voor reizen in vaargebieden van klasse B als bedoeld in richtlijn 98/18/EG;
- b.
met het schip mogen slechts reizen worden ondernomen bij daglicht, bij een windkracht van ten hoogste 6 Beaufort en een significante golfhoogte van ten hoogste 2 meter.
De vrijstelling geldt niet voor schepen met nachtaccommodatie voor passagiers.
Zeilschepen van minder dan 500 GT, gebruikt voor het vervoer van ten hoogste 36 passagiers, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/20, V/22.1.1 tot en met V/22.1.5 en V/30 van het SOLAS-verdrag.
Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn overeenkomstig voorschrift V/3.1 van het SOLAS-verdrag vrijgesteld van de eisen van hoofdstuk V van dat verdrag, met uitzondering van voorschrift V/19.2.1.7. Tevens zijn zij vrijgesteld van de in artikel 24 bedoelde eisen.
Het vervoer van deklast hout aan boord van schepen met een lengte van 24 meter of meer geschiedt met inachtneming van de in de Houtvaartcode, met uitzondering van de bijlagen bij die Code, opgenomen voorschriften.
Het vervoer van pakketten gebundeld hout op de luiken is uitsluitend toegestaan, indien:
- a.
voorzieningen zijn aangebracht om het zijdelings verschuiven van de onderste laag van de deklast te voorkomen;
- b.
de wijze van beladen van de sjorinrichting en de overige onderdelen van de uitrusting voor de deklast door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie zijn goedgekeurd.
De maximale hoogte van pakketten gebundeld hout die op de luiken worden vervoerd, wordt in afwijking van voorschrift 3.2.1 van de Houtvaartcode gemeten vanaf de bovenzijde van het luikhoofd.
De beproeving, markering en certificering van kettingen, gebruikt bij het sjorren van deklast hout, bedoeld in voorschrift 4.5.1 van de Houtvaartcode, geschiedt overeenkomstig de door het Nederlands Normalisatie-Instituut te Delft uitgegeven norm NEN-EN 818-2.
In aanvulling op de hoofdstukken VI, deel B, en VII, deel A-1, van het SOLAS-verdrag worden bij het vervoer van gestorte lading en het vervoer van gevaarlijke stoffen in vaste vorm in bulk de voorschriften van de BC-Code in acht genomen.
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de BC-Code, zijn:
- a.
met betrekking tot het vervoer van radioactieve stoffen in bulk, behorende tot klasse 7 van de BC-Code: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
- b.
met betrekking tot het vervoer van overige bulklading: de Minister van Verkeer en Waterstaat.
De Handleiding vastzetten lading, bedoeld in de voorschriften VI/5.6 en VII/5 van het SOLAS-verdrag, voldoet aan de bij circulaire MSC/Circ.745 van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO vastgestelde Richtlijnen voor het opstellen van de Handleiding vastzetten lading (Guidelines for the preparation of the Cargo Securing Manual).
Op schepen die zijn ingericht voor het vervoer van standaardlading, mag worden volstaan met een verkorte versie van de Handleiding vastzetten lading.
De bevoegde autoriteiten, bedoeld in de op grond van hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag toepasselijke IMDG-Code, zijn:
- a.
voor radioactieve stoffen in verpakte vorm, behorende tot klasse 7 van de IMDG-Code: de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;
- b.
voor overige stoffen als bedoeld in de IMDG-Code: de Minister van Verkeer en Waterstaat.
Aan boord van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, is een Nederlandstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
Aan boord van schepen waarop de in voorschrift V/14.3 van het SOLAS-verdrag bedoelde werktaal niet het Nederlands is, is in afwijking van het eerste lid een Engelstalige uitgave van de EmS-Gids aanwezig.
De kapitein van een passagiersschip waarvoor het veiligheidscertificaat voor passagiersschepen behorend bij richtlijn 98/18/EG benodigd is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in richtlijn 98/18/EG opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
De kapitein van een schip waarvoor een certificaat, behorende bij de MODU-Code 1979, de MODU-Code 1989, de DSC-Code of de SPS-Code, benodigd is, draagt er zorg voor dat aan boord van het schip de in de desbetreffende Code opgenomen voorschriften en verplichtingen worden nageleefd.
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige medische uitrusting in goede staat verkeert en zo spoedig mogelijk wordt aangevuld of vernieuwd, in ieder geval met voorrang tijdens de normale bevoorradingsprocedures.
Indien er sprake is van een medisch spoedgeval waarvoor de noodzakelijke geneesmiddelen, verplegingsartikelen of antidota niet aan boord zijn, is de kapitein verplicht zorg te dragen dat deze zo spoedig mogelijk ter beschikking worden gesteld.
De kapitein inspecteert jaarlijks, met inachtneming van hetgeen dienaangaande in bijlage 2 bij deze regeling is bepaald, de aan boord van het schip aanwezige medische uitrusting.
Dit artikel is eveneens van toepassing op vissersvaartuigen, met dien verstande dat de in het eerste tot en met derde lid bedoelde verplichtingen in dat geval op de schipper van het vaartuig rusten.
De kapitein van een passagiersschip draagt er zorg voor dat het aantal opvarenden van het schip voor het vertrek uit de haven wordt geteld, en dat dit aantal zowel aan hem als aan de in artikel 30 bedoelde passagiersregistratiebeambte of het in dat artikel bedoelde passagiersregistratiesysteem wordt medegedeeld.
De kapitein van een passagiersschip waarmee een reis van meer dan 20 zeemijlen vanaf de plaats van vertrek wordt ondernomen, draagt er tevens zorg voor dat voor het vertrek de navolgende gegevens worden verzameld en uiterlijk 30 minuten na het vertrek aan de passagiersregistratiebeambte of aan het passagiersregistratiesysteem worden doorgegeven:
- a.
de achternamen van de opvarenden;
- b.
de voornamen of de initialen;
- c.
het geslacht;
- d.
de leeftijdscategorie (volwassene, kind of zuigeling) waartoe de persoon behoort, dan wel leeftijd of geboortejaar;
- e.
door passagiers op eigen initiatief verstrekte informatie in verband met behoefte aan speciale zorg of bijstand in noodsituaties.
De kapitein van een schip waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, draagt er bij een incident met die stoffen zorg voor dat de in de EmS-Gids opgenomen procedures worden gevolgd.
Meldingen van incidenten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in voorschrift VII/6 of VII/7-4 van het SOLAS-verdrag voldoen aan de bij resolutie A.851(20) van de Algemene Vergadering van de IMO aangenomen Richtlijnen voor het rapporteren van incidenten met gevaarlijke, schadelijke of milieuverontreinigende stoffen (Guidelines for reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine pollutants).
De kapitein draagt er zorg voor dat de aan boord aanwezige dagboeken worden bijgehouden met inachtneming van hetgeen dienaangaande in de op grond van deze regeling toepasselijke Codes en richtlijnen is bepaald.
Baggerschepen waaraan krachtens artikel 38 een verminderd vrijboord is toegekend, zijn tijdens het laden, lossen en vervoeren van bagger vrijgesteld van de in het Uitwateringsverdrag opgenomen verplichting om bij de uitwatering de toepasselijke seizoenslastlijnen in acht te nemen, met dien verstande dat het schip geen geringer vrijboord mag hebben dan volgens de voor dat schip vastgestelde baggerlastlijn is toegestaan.
De kapitein van een schip als bedoeld in het eerste lid draagt er zorg voor dat de in IMO-circulaire nr. 2285, bedoeld in artikel 38, opgenomen voorschriften en de in voorkomend geval aan de toekenning van het verminderde vrijboord verbonden beperkingen worden nageleefd.
Schepen waarmee geregeld korte reizen als bedoeld in voorschrift III/3.22 van het SOLAS-verdrag worden ondernomen, zijn vrijgesteld van de in voorschrift V/26 van dat verdrag opgenomen verplichting om voorafgaand aan elke reis de stuurinrichting te beproeven, met dien verstande dat de stuurinrichting ten minste eenmaal per week wordt beproefd.
Schepen die niet zijn voorzien van middelen tot werktuiglijke voortstuwing, zijn vrijgesteld van de voorschriften V/26 tot en met V/28 van het SOLAS-verdrag.
De artikelen 64 van het besluit en 52 van deze regeling zijn niet van toepassing op schepen als bedoeld in het eerste lid.
Dit hoofdstuk is van toepassing op buitenlandse schepen als bedoeld in de Wet buitenlandse schepen.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ‘buitenlandse schepen’ mede verstaan: daarmee op grond van de Wet buitenlandse schepen gelijkgestelde schepen.
De artikelen 4, eerste en tweede lid, 7, eerstelid, 9, 13, 19, 22, derde lid, 30, 47 en 50 zijn van overeenkomstige toepassing op buitenlandse schepen, voorzover met die schepen reizen worden ondernomen van of naar een Nederlandse haven, met dien verstande dat artikel 50 wordt toegepast met inachtneming van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 98/41/EG.
Voorts zijn op buitenlandse schepen de artikelen 40, eerste en derde lid, en 61, eerste lid, van het besluit van overeenkomstige toepassing, voorzover die artikelen betrekking hebben op de voorschriften V/19.2.4 en V/20 van het SOLAS-verdrag.
Een op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wet buitenlandse schepen aangewezen toezichthouder is bevoegd een buitenlands schip aan te houden, indien:
- a.
het schip niet is voorzien van een ingevolge artikel 4, eerste lid, of 7, eerste lid, benodigd certificaat;
- b.
de controles en onderzoeken, bedoeld in artikel 13, niet tijdig hebben plaatsgevonden of indien uit die controles of onderzoeken is gebleken dat niet aan de voorschriften, bedoeld in richtlijn 1999/35/EG, wordt voldaan;
- c.
het schip of de bedrijfsvoering over het schip niet voldoet aan de eisen, bedoeld in de artikelen 19, 22, derde lid, 30 en 57, tweede lid;
- d.
aan boord van het schip de voorschriften of verplichtingen, bedoeld in artikel 47 of 50, niet worden nageleefd.
Overtreding van de voorschriften, bedoeld in artikel 57, is een strafbaar feit.
Van de wijze van bekendmaking van de op grond van deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires van de IMO wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 71, eerste tot en met derde lid, van het besluit is van overeenkomstige toepassing op de ingevolge deze regeling toepasselijke Codes, resoluties en circulaires van de IMO.
Ministeriële besluiten op grond van het eerste lid worden bekendgemaakt in de Staatscourant.
Een wijziging van een op grond van deze regeling toepasselijke richtlijn gaat voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.
Uitrusting van een door het Hoofd van de Scheepvaartinspectie goedgekeurd type, waarop door een wijziging van bijlage A.1 van richtlijn 96/98/EG de voorschriften van die richtlijn van toepassing zijn geworden, mag in afwijking van artikel 33 nog gedurende een termijn van twee jaren aan boord van schepen worden geplaatst, mits zij voor de datum van vaststelling van de desbetreffende wijzigingsrichtlijn werd vervaardigd en ook de typegoedkeuring voor die datum werd verleend.
De in het tweede lid bedoelde termijn vangt aan op het in de betrokken wijzigingsrichtlijn bepaalde tijdstip.
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2005, met uitzondering van de artikelen 4, derde lid, 5, tweede lid, en 6, tweede lid, die in werking treden op het tijdstip waarop artikel 6 van het Schepenbesluit 2004 in werking treedt.
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veiligheid zeeschepen.
Ligt ter inzage bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat.
1. Deze bijlage is tevens van toepassing op vissersvaartuigen.
2. Voor de toepassing van deze bijlage wordt met de kapitein van een schip gelijkgesteld de schipper van een vissersvaartuig.
1. Aan boord van een schip zijn de in de tabellen 1 en 2 voorgeschreven geneesmiddelen, verpleeg- en verbandmiddelen, handboeken en overige benodigdheden aanwezig. Voor schepen waarmee gevaarlijke stoffen als bedoeld in hoofdstuk VII, deel A, van het SOLAS-verdrag worden vervoerd, kunnen afwijkende hoeveelheden gelden. Deze afwijkende hoeveelheden staan tussen haakjes vermeld.
2. De in de kolommen A tot en met E genoemde hoeveelheden gelden voor schepen met een gemonsterde bemanning tot en met 15 personen. Bij een bemanningssterkte van meer dan 15 personen, worden deze hoeveelheden voor elke volgende groep van ten hoogste 15 personen steeds met honderd procent vermeerderd, met dien verstande dat daarbij de in de tabellen vermelde maximumhoeveelheden niet behoeven, en voor de receptplichtige middelen ook niet mogen, worden overschreden.
3. In afwijking van het tweede lid behoeven bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen de in de tabellen 1 en 2 genoemde hoeveelheden slechts met vijftig procent te worden vermeerderd. Indien de in de tabellen genoemde hoeveelheid van een middel één bedraagt, behoeft deze hoeveelheid bij een bemanningssterkte 15 tot en met 24 personen niet te worden vermeerderd.
1. De tot de uitrusting van reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten behorende medicijnkisten bevatten de in kolom R van de tabellen 1 en 2 voorgeschreven middelen.
2. De in kolom R genoemde hoeveelheden gelden per 50 personen, met uitzondering van het middel tegen zeeziekte, waarvoor de per persoon benodigde hoeveelheden zijn vermeld.
1. De in artikel 2 bedoelde medische uitrusting wordt in daarvoor geschikte kisten of in daarvoor ingerichte kasten of ruimten bewaard.
2. Onder de Opiumwet vallende preparaten die deel uitmaken van de medische uitrusting, worden bewaard in een kluis, waarvan de sleutel berust bij de kapitein of bij de schepeling aan wie de kapitein het gebruik en beheer van de medische uitrusting heeft overgedragen.
1. De geneesmiddelen en antidota worden afgenomen bij een apotheker, hetgeen moet blijken uit een merk op de verpakking.
2. Op de verpakking van de bestanddelen van de medische uitrusting is voor zover mogelijk, het nummer aangebracht dat is vermeld in deze bijlage. Tevens is een afschrift van de controlelijsten bevestigd in artikel 1 van deze bijlage bedoelde kisten, kasten of ruimten.
3. Op de etiketten, aanwezig op de verpakking der middelen zijn zo veel mogelijk naast de Nederlandse, de Latijnse benamingen vermeld, overeenkomstig de nomenclatuur van de Wereld Gezondheids Organisatie.
1. De jaarlijkse inspectie van de medische uitrusting vindt plaats voorafgaand aan de onderzoeken waaraan het schip wordt onderworpen in verband met de voor dat schip benodigde certificaten. De inspectie heeft geen betrekking op de in artikel 3 bedoelde medische uitrusting voor reddingsvlotten.
2. De kapitein stelt bij de inspectie een controlelijst op met daarop de benamingen en codes van alle geneesmiddelen, verplegingsartikelen en antidota die ingevolge deze bijlage aan boord van het schip zijn vereist, en vermeldt daarbij zowel de voorgeschreven hoeveelheden als de daadwerkelijk aan boord aanwezige hoeveelheden. In voorkomend geval wordt tevens de houdbaarheidsdatum van die middelen vermeld. De controlelijst vermeldt voorts de naam, de vlag en de thuishaven van het schip.
3. Indien de inspectie uitwijst dat de medische uitrusting van het schip in overeenstemming is met deze bijlage, ondertekent de kapitein de controlelijst en biedt hij deze aan de Scheepvaartinspectie of, indien het onderzoek door een krachtens artikel 23 van het besluit aangewezen rechtspersoon wordt verricht, aan die rechtspersoon ter visering aan.
Kolom A: | vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een onbeperkt vaargebied; |
Kolom B: | vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A2 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag; |
Kolom C: | vrachtschepen, zeilschepen en vissersvaartuigen met een vaargebied dat zich niet verder uitstrekt dan GMDSS-zeegebied A1 als bedoeld in voorschrift IV/2 van het SOLAS-verdrag tot 30 mijl uit de kust van een Europees land; |
Kolom D: | passagiersschepen, niet zijnde schepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt; |
Kolom E: | passagiersschepen waarmee korte internationale of nationale reizen als bedoeld in voorschrift III/3 van het SOLAS-verdrag worden gemaakt; |
Max.: | Maximumhoeveelheden; |
Kolom R: | reddingsboten, reddingsvlotten en hulpverleningsboten per 50 personen. |
RMA | Het middel dient in beginsel slechts op advies van de Radio Medische Dienst of van een arts te worden toegediend of toegepast. |
f | Slechts voorgeschreven bij één of meer bemanningsleden van het vrouwelijk geslacht. |
.t | Slechts voorgeschreven op reizen in tropische wateren. |
z | Slechts voorgeschreven voor zeilschepen. |
[ ] | Slechts voorgeschreven voor schepen die gevaarlijke stoffen vervoeren, indien hiervoor een afwijkende hoeveelheid is voorgeschreven. |
Code | Aanv. code | Vereiste middelen | A | B | C | D | E | Max. | R | |
Middelen tegen hart- en vaatziekten | ||||||||||
1.1.02 | RMA | Adrenaline amp 1 mg/1 ml (voor im, iv en sc inj) | 6 | 3 | – | 6 | 6 | 12 | – | |
1.2.02 | RMA | Isosorbide-dinitraat tabl 5 mg | 20 | 10 | 10 | 20 | 20 | 60 | 10 | |
1.3.03 | RMA | Furosemide amp 40 mg/4 ml (voor im en iv inj) | 3 [10] | 2 [10] | – | 3 | 2 [10] | 6 [20] | – | |
1.4.02 | RMA | Fytomenadion amp 10 mg/1 ml (voor im inj) | 2z [10] | 2z [5] | 2z | 2 | 2 [5] | 4 [15] | – | |
1.4.03 | RMA | Oxytocine amp 5U/1 ml (voor im en iv inj) | 6f | 3f | 3f | 6 | 3 | 12 | – | |
1.5.02 | RMA | Metoprolol tabl 50 mg | 30 | 10 | – | 30 | 10 | 60 | – | |
1.6.02 | RMA | Carbasalaatcalcium 100 mg of Acetylsalicylzuur tabl 80 mg | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 40 | – | |
Geneesmiddelen voor het maagdarmkanaal | ||||||||||
2.1.04 | Algeldraat+magnesiumhydroxide susp, flac 300 ml | 2 | 1 | – | 4 | 2 | 8 | – | ||
2.1.05 | RMA | Omeprazol tabl/caps 20 mg | 60 | 30 | – | 60 | 30 | 150 | – | |
2.2.02 | RMA | Domperidon supp 60 mg | 18 | 6 | 3 | 18 | 18 | 36 | – | |
2.2.02R | Metoclopramide supp 20 mg | – | – | – | – | – | – | 3 | ||
2.2.03 | RMA | Metoclopramide amp 10 mg/2 ml (voor im inj) | 5 [30] | – [10] | – | 5 | – [10] | 10 [60] | – | |
2.3.01 | Lactulose sir, flac 300 ml | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | ||
2.3.02 | RMA | Nalaurylsulfoactaat /Sorbitol/Na-citraat microklysma | 12 | 4 | – | 12 | 12 | 24 | – | |
2.4.01 | Loperamide caps 2 mg | 80 | 40 | 40 | 80 | 40 | 200 | 40 | ||
2.6.01 | Vaseline/lidocaïne crème 3%, tube 30 g | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 5 | – | ||
Pijnstillende en krampwerende middelen | ||||||||||
3.1.02 | Ibuprofen drag 400 mg | 40 | 20 | – | 40 | 20 | 100 | – | ||
3.1.03 | Paracetamol tabl 500 mg | 80 [200] | 40 [100] | 20 | 80 | 80 [100] | 200 [300] | 80 | ||
3.2.03 | RMA | Morfine HCl amp 10 mg/1 ml (voor im en sc inj) (IN KLUIS BEWAREN) | 10 [40] | 5 [10 ] | – | 10 | 10 [20] | 30 [40] | – | |
3.2.04R | (RMA) | Tramadol caps 50 mg | – | – | – | – | – | – | 30 | |
3.3.02 | RMA | Diclofenac supp 100 mg | 10 | 5 | 5 | 10 | 5 | 20 | 5 | |
3.4.01 | RMA | Naloxon amp 0,4 mg/1 ml (voor im en iv inj) | 3 [6] | 3 [6] | – | 6 | 6 [12] | 15 [24] | – | |
Geneesmiddelen voor het zenuwstelsel | ||||||||||
4.1.02 | RMA | Diazepam mikroclysma 10 mg/2,5 ml | 10 [10] | 2 [5] | – | 10 | 5 [20] | 20 [20] | – | |
4.1.03 | RMA | Oxazepam tabl 10 mg | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 50 | – | |
4.2.01 | RMA | Haloperidol tabl 1 mg | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 50 | – | |
4.2.02 | RMA | Haloperidol amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) | 10 | 2 | – | 10 | 5 | 20 | – | |
4.3.02 | Cyclizine supp 100 mg | 20 | 10 | – | 20 | 20 | 100 | – | ||
4.3.03 | Cinnarizine tabl 25 mg | 50 | 20 | 10 | 50 | 50 | 200 | 6 pp | ||
4.4.02 | RMA | Carbamazepine tabl 200 mg | 20 | 10 | – | 20 | 20 | 50 | – | |
4.5.01 | RMA | Temazepam tabl/caps 10 mg | 20 | 10 | – | 20 | 20 | 50 | – | |
Anti-allergische en anti-anafylactische middelen | ||||||||||
5.1.03 | RMA | Clemastine tabl 1 mg | 20 | 10 | – | 20 | 20 | 50 | – | |
5.1.04 | RMA | Clemastine amp 2 mg/2 ml (voor im en iv inj) | 3 | 2 | – | 3 | 2 | 6 | – | |
5.2.02 | RMA | Dexamethason amp 5 mg/1 ml (voor im en iv inj) | 5 | 2 | – | 5 | 2 | 5 | – | |
Geneesmiddelen voor het ademhalingsstelsel | ||||||||||
6.1.02 | RMA | Salbutamol 0,1 mg[ds, inhalator 200 ds | 2 [5] | 1 [5] | – | 2 | 1 [5] | 4 [5] | – | |
6.1.03 | RMA | Beclomethasone 0,05 mg/ds, inhalator 200 ds | – [5] | – [5] | – | – | – [5] | – [5] | – | |
6.1.04 | Voorzetkamer voor 6.1.02 en 6.1.03 | 1 [2] | 1 [2] | – | 1 | 1 [2] | 1 [2] | – | ||
6.2.01 | Dextromethorfan sir, flac 200 ml | 3 | 1 | – | 3 | 1 | 6 | – | ||
6.3.01 | Xylometazoline neusdruppels 0,1%, druppelflac 10 ml | 5 | 3 | – | 5 | 3 | 10 | – | ||
Infectiewerende middelen | ||||||||||
7.1.01 | RMA | Amoxicilline caps 500 mg | 60 | 20 | – | 60 | 20 | 120 | – | |
7.1.07 | RMA | Doxycycline tabl 100 mg | 20 | 5 | – | 20 | 5 | 50 | – | |
7.1.08 | RMA | Cefuroxim amp 750 mg + 5 ml opl (voor im inj) | 15 | 6 | – | 15 | 6 | 30 | – | |
7.2.02 | RMA | Co-trimoxazol tabl 800+160 mg | 30 | 10 | – | 30 | 10 | 60 | – | |
7.4.02 | RMA | Metronidazol tabl 500 mg | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 50 | – | |
7.4.03 | RMA | Metronidazol supp of ovule 500 mg1 | – [10] | – | – | – | – | – [25] | – | |
7.5.01 | RMA | Ciprofloxacine tabl 250 mg | 40 | 20 | – | 40 | 20 | 100 | – | |
7.6.01 | RMA | Tetanusvaccin amp 0,5 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) | 5 | 2 | – | 5 | 2 | 5 | – | |
7.6.02 | RMA | Anti-tetanus immunoglobuline amp 250 E/2 ml (voor im inj) (KOEL BEWAREN) | 3 | 1 | – | 3 | 1 | 5 | – | |
7.7.01 | .t | RMA | Kinine sulfaat tabl/drag 200 mg | 70 | 70 | – | 70 | 70 | 200 | – |
7.7.02 | .t | Proguanil tabl 100 mg2 | 500 | 250 | – | 500 | 500 | 1500 | – | |
7.7.03 | .t | Chloroquinesulfaat tabl 100 mg2 | 60 | 30 | – | 60 | 60 | 180 | – | |
7.7.04 | .t | RMA | Kininehydrochloride amp 600 mg/2 ml (voor im inj) | 10 | 5 | – | 10 | 5 | 20 | – |
7.7.05 | .t | Malarone® tabl 250/100 mg2 | 250 | 125 | – | 250 | 125 | 750 | – | |
.t | RMA | Aqua dest amp 5 ml voor verdunnen 7.7.04 (voor im inj) | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 40 | – | |
Preparaten bestemd voor rehydratie en toevoer van calorieën en plasmavervangmiddelen | ||||||||||
8.1.01 | ORS met samenstelling vlgs WHO standaard, zakje voor de bereiding van1 liter rehydratie-vloeistof | 18 | 6 | – | 18 | 6 | 36 | – | ||
8.1.02 | RMA | NaCl 0,9% infuusvloeistof, flac 500 ml | 2 [10] | 1 [6] | – | 4 | 2 [6] | 4 [10] | – | |
Infuussysteem zie II.5.05f | ||||||||||
8.3.01 | RMA | Plasmavervangmiddel naar keuze, flac 500 ml | 5 | 3 | – | 5 | 3 | 10 | – | |
Infuussysteem zie II.5.05f | – | |||||||||
Geneesmiddelen voor dermatologisch gebruik | ||||||||||
9.1.03 | Chloorhexidine 0,5%, flac 30 ml | 4 | 2 | 1 | 4 | 2 | 8 | 1 | ||
9.1.04 | Chloorhexidine/Cetrimide opl, flac 250 ml | 3 | 1 | – | 3 | 3 | 5 | – | ||
9.1.05 | Handalcohol 70% | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | ||
9.1.08 | Betadine zalf, tube 30 g | 3 | 2 | 1 | 3 | 2 | 6 | 2 | ||
9.1.09 | Capsicum compositum crème, tube 30 g | 3 | 1 | – | 3 | 1 | 6 | – | ||
9.1.10 | Miconazolnitraat crème 2%, tube 30 g | 4 | 2 | – | 4 | 2 | 8 | – | ||
9.1.13 | RMA | Zilversulfadiazine crème 1%, tube 50 g (KOEL BEWAREN) | 5 | 3 | 1 | 5 | 5 | 8 | – | |
9.1.13R | Lang houdbare antispetische crème geschikt voor behandeling van brandwonden | – | – | – | – | – | – | 1 | ||
9.1.14R | Antizonnebrand waterbestendige crème, tube 25 g, factor 20 (EU) of 22 (USA) | – | – | – | – | – | – | 2 | ||
9.1.15 | Alumnis compositum poeder,strooiflac 100 g | 4 | 1 | – | 4 | 2 | 8 | – | ||
9.1.18 | Lanette/menthol crème 2%, tube 10 g | 2 | – | – | 2 | 1 | 5 | – | ||
9.1.20 | Permetrine lotion 10 mg/g, flac 59 ml | 3 | 1 | – | 3 | 1 | 5 | – | ||
9.1.21 | RMA | Hydrocortison 1%, tube 30 g | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | |
Middelen voor oogheelkundig gebruik | ||||||||||
9.2.03 | RMA | Tetracaïne oogdruppels 0,5%, unitdose (KOEL BEWAREN) | 20 | 10 | – | 20 | 10 | 40 | – | |
9.2.04 | RMA | Pilocarpine oogdruppels 2%, druppelflac 10 ml (KOEL BEWAREN) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – | |
9.2.05 | Fluoresceïne strips 1%, verpakking van 10 stuks | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – | ||
9.2.06 | Tetracycline oogzalf 1%, tube 4g (KOEL BEWAREN) | 2 [5] | 1 [3] | 1 | 2 | 1 [3] | 4 [10] | 1 | ||
9.2.07 | Fusidinezuur ooggel1%, unitdose 0,2 g (KOEL BEWAREN) | 24 | 12 | – | 24 | 12 | 48 | – | ||
Middelen voor oorheelkundig gebruik | ||||||||||
9.3.03 | Neomycine/Polymyxine-B/Hydrocortison oordruppels, | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | ||
Middelen tegen mond- en keelaandoeningen | ||||||||||
9.4.01 | Chloorhexidine gorgeldrank 2%, flac 200 ml | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | ||
Lokaal-anesthetica | ||||||||||
9.5.02 | Lidocaïne 2%, flac 20 ml zonder adrenaline (voor im en sc inj) | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 4 | – | ||
9.5.03 | Carophylli aetheroleum (kruidnagelolie), druppelflac 10 ml | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – | ||
Aanvullende antidota voor gevaarlijke stoffen | ||||||||||
10.1.01 | RMA | Calciumgluconaat gel 2%, tube 25 g | – [5] | – [5] | – | – | – [10] | – [40] | – | |
10.2.05 | RMA | Atropinesulfaat amp 1 mg/1 ml (voor im en iv inj) | – [15] | – [15] | – | – | – [30] | – [100] | – | |
10.2.06 | RMA | Calciumgluconaat bruistabl 1 g | – [20] | – [20] | – | – | – [40] | – [100] | – | |
10.2.09 | RMA | Geactiveerde kool, poeder, flac 50 g | – [2] | – [2] | – | – | – [2] | – [2] | – | |
10.2.10 | RMA | Aethylacohol opl 95%, flac 500 ml | – [3] | – [1] | – | – | – [1] | – [3] | – | |
Diversen | ||||||||||
12.1.01 | RMA | Glucagon amp 1 mg + 1 ml opl (voor im en iv inj) (KOEL BEWAREN) | 2z | 2z | 2z | 4 | 2 | 4 | – |
Code | Vereiste middelen | A | B | C | D | E | Max. | R |
Reanimatiebenodigdheden | ||||||||
II.1.01 | Beademingsballon reserve met masker, bij voorkeur op te bergen bij II.1.02.a | – [1] | – [1] | – | – | – [1] | – [1] | – |
II.1.02.a | Zuurstofkoffer draagbaar, compleet met gebruiksaanwijzingen, inclusief 1 zuurstoffles 2 l/200 bar, reduceerventiel met flowmeter, verdeelblok met externe zuurstofaansluiting en beademingsballon met masker | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.1.02.b | Zuurstoffles reserve 2 l/200 bar bij voorkeur op te bergen bij II.1.02.a | – [1] | – [1] | – | – | – [3] | – [3] | – |
II.1.02.c | Zuurstoffles met zuurstof voor medische toepassing 40 l/200 bar5 of verdeeld over maximaal 4 flessen die allen dezelfde kleurcodering, vuldruk en aansluiting hebben, klaar voor direct gebruik in het ziekenverblijf van het schip, met 2 flowmeters voor het toedienen van zuurstof aan 2 personen tegelijk1 | – [1] | – [1] | – | – | – [1] | – [1] | – |
II.1.03 | Afzuigeenheid mechanisch om de luchtwegen vrij te maken, bij voorkeur als onderdeel van II.1.02.a | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.1.04 | Brook Airway of Lifeway of equivalent | 1 [2] | 1 [2] | 1 | 2 | 2 | 4 | 1 |
II.1.05.a | Guedel (Mayo-tube) no 2 | – [2] | – [2] | – | – | – [2] | – [4] | – |
II.1.05.b | Guedel (Mayo-tube) no 3 | – [2] | – [2] | – | – | – [2] | – [4] | – |
II.1.05.c | Guedel (Mayo-tube) no 4 | – [2] | – [2] | – | – | – [2] | – [4] | – |
II.1.06 | Zuurstofmaskers disposable (tot 60% zuurstof) met bijbehorende flexibele aansluitslangen, bij voorkeur als onderdeel van II.1.02.a | 2 [10] | 2 [10] | – | 2 | 2 [10] | 6 [20] | – |
Verbandmiddelen en hechtingsmateriaal | ||||||||
II.2.01 | Hechtingsset met naalden: zie II.2.13 en II.3.01 t/m II.3.06. | |||||||
II.2.02 | Zelfklevend elastisch verband 4 m/6 cm | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 |
II.2.03.c | Hydrolast windsel 4 m/6 cm | 30 | 15 | 8 | 60 | 60 | 120 | – |
II.2.04 | Tunnelverband voor vingers m applicator, rol 5 m | 4 | 1 | 1 | 4 | 4 | 12 | – |
II.2.05.a | Hydrofiel gaas 5x5 cm steriel, verpakking van 16 st | 10 | 5 | 1 | 20 | 20 | 40 | – |
II.2.05.b | Hydrofiel gaas 10x10 cm steriel, verpakking van 25 st | 3 | 2 | 1 | 3 | 3 | 10 | 1 |
II.2.05.c | Vaseline gaas steriel 10x10 cm | 20 | 10 | 10 | 20 | 20 | 40 | 10 |
II.2.06 | Hydrofiel watten, 100 g | 4 | 2 | 1 | 4 | 4 | 10 | – |
II.2.07.a | Metalline laken steriel 73x250 cm | 1 | 1 | – | 2 | 2 | 2 | – |
II.2.08 | Driekante doeken (katoen) | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 | 4 |
II.2.09.a | Handschoenen niet steriel, per paar | 12 | 6 | 3 | 12 | 12 | 24 | 3 |
II.2.09.b | Handschoenen steriel M, per paar | 3 | 2 | – | 6 | 12 | 12 | – |
II.2.09.c | Handschoenen steriel L, per paar | 3 | 2 | – | 6 | 12 | 12 | – |
II.2.10.b | Pleisterverband waterbest 1 m/6 cm | 3 | 2 | 1 | 3 | 2 | 6 | 1 |
II.2.11.a | Snelverband steriel nr 1 klein | 4 | 4 | 1 | 10 | 10 | 20 | 2 |
II.2.11.b | Snelverband steriel nr 2 middel | 10 | 4 | 2 | 20 | 20 | 40 | 4 |
II.2.11.c | Snelverband steriel nr 3 groot | 4 | 4 | 1 | 10 | 10 | 10 | 1 |
II.2.12.a | Hechtpleister waterbest 5 m/1¼ cm | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | 5 | 1 |
II.2.12.c | Zwaluwstaart pleisters steriel | 20 | 10 | 5 | 20 | 20 | 40 | 5 |
II.2.13.c | Hechtingen atraumatisch vicryl 4-0 | 10 | 5 | – | 10 | 10 | 20 | – |
II.2.13.d | Hechtingen atraumatisch ethilon 3-0 | 10 | 5 | – | 10 | 10 | 20 | – |
II.2.13.e | Hechtingen atraumatisch ethilon 5-0 | 10 | 5 | – | 10 | 10 | 20 | – |
II.2.14 | Synthetische watten 3 m/10 cm | 2 | 1 | – | 2 | 2 | 4 | – |
II.2.15.a | Oogklepje | 2 | 1 | – | 3 | 3 | 3 | – |
II.2.15.b | Oogcompressen, 5 stuks | 2 | 1 | – | 3 | 3 | 3 | – |
II.2.16 | Veilgheidsspelden (RVS), 12 st | 2 | 1 | 1 | 3 | 3 | 3 | 1 |
Instrumenten | ||||||||
II.3.01 | Scalpel steriel disposable | 3 | 3 | – | 3 | 3 | 6 | – |
II.3.02 | Instrumentendoos (RVS) voor chirurgische instrumenten | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.03.a | Schaar chirurgisch (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.03.b | Verbandschaar Lister 18 cm (RVS), niet op te bergen in II.3.02 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 3 | 1 |
II.3.04.a | Pincet anatomisch (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.04.b | Pincet chirurgisch (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.05 | Arterieklem vlgs Kocher (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.06 | Naaldvoerder Mathieu 17 cm (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.07 | Scheerapparaat disposable | 5 | 2 | – | 5 | 5 | 10 | – |
II.3.08 | Splinterpincet (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.3.09 | Ringzaagtang (RVS) | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.3.10 | Nylon lisje oogheelkundig | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
Materiaal voor onderzoek en medische controle | ||||||||
II.4.01 | Tongspatels disposable | 50 | 10 | – | 50 | 50 | 100 | – |
II.4.02 | Teststrips voor urineanalyse: bloed/glucose/eiwit/nitriet/leucocyten, 50 strips | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.4.03 | Bladen voor registratie lichaamstemp en pols | 20 | 5 | – | 20 | 20 | 40 | – |
II.4.04 | Medische kaart voor informatie bij evacuatie | 4 | 2 | – | 4 | 4 | 10 | – |
II.4.05 | Stethoscoop | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.4.06 | Anaeroïde bloeddrukmeter, bij voorkeur automatisch | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.4.07 | Thermometer voor koorts | 3 | 2 | – | 3 | 3 | 6 | – |
II.4.08 | Thermometer voor hypothermie | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.4.09 | Penlight ooglampje + blauw kapje | 2 | 1 | – | 2 | 2 | 2 | – |
Materiaal voor injecties, perfusie, puncties en catherisatie | ||||||||
II.5.01 | Set v draineren vd blaas: zie II.5.04/.06/.07 | |||||||
II.5.02.a | Druppelclysma rectaal met druppelteller, inclusief 1 catheter | 1 | – | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.5.02.b | Catheter 26 Fr voor druppelclysma rectaal | [6] | – | – | – | – | [12] | – |
II.5.04 | Urinezak met aansluiting op condoom | 2 | – | – | 2 | 1 | 2 | – |
II.5.05.a | Injectiespuiten steriel 2 ml disposable | 50 [100] | 25 [50] | 5 | 50 | 40 [50] | 100 [200] | – |
II.5.05.b | Injectiespuiten steriel 5 ml disposable | 10 | 5 [10] | – | 10 | 10 | 20 [20] | – |
II.5.05.c | Injectienaalden steriel sc 16x½ mm, passend op II.5.05.a/.b | 25 | 10 | – | 25 | 10 | 50 | – |
II.5.05.d | Injectienaalden steriel im 40x0,8 mm, passend op II.5.05.a/.b | 50 [100] | 25 [50] | 5 | 50 | 25 [50] | 100 [200] | – |
II.5.05.e | Vleugelnaalden steriel 1,2 te gebruiken bij inbrengen infuus | 4 [10] | 2 [10] | – | 8 | 4 [10] | 8 [20] | – |
II.5.05.f | Infuus systeem steriel voor 8.1.02 en 8.3.01 | 4 [10] | 2 [10] | – | 8 | 4 [10] | 8 [20] | – |
II.5.05.g | Stuwband te gebruiken bij inbrengen infuus | 1 [2] | 1 [2] | – | 2 | 1 [2] | 4 [4] | – |
II.5.06 | Urinecatheter steriel Thieman zonder ballon nr 16 en 12, van ieder | 1 | – | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.5.07 | Catheterglijmiddel lidocaïne 2%/chloorhexidine 0,05%, spuit | 2 | – | – | 2 | 2 | 4 | – |
II.5.08 | Nierbekken (RVS) | 2 | 1 | – | 1 | 1 | 4 | – |
Verplegingsartikelen | ||||||||
II.6.01 | Ondersteek (RVS) | 1 | – | – | 2 | 2 | 3 | – |
II.6.02 | Warmwaterzak | 1 | 1 | – | 2 | 1 | 3 | – |
II.6.03 | Urinaal (glas) | 1 | – | – | 2 | 2 | 3 | – |
II.6.04 | ColdHotpack Maxi 20x30 cm (IN VRIEZER BEWAREN) | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | – |
II.6.06 | Reddingdeken aluminiumfolie | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 4 | 1 |
Immobilisatiemateriaal | ||||||||
II.7.01 | Vervormbare spalk voor vingers/tenen 30 cm (aluminium) | 2 | 1 | – | 2 | 2 | 4 | – |
II.7.02 | Vervormbare draadspalk voor o-arm/hand/o-been 70 cm, set van 6 stuks | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.7.03 | Vacuum spalken (halve/hele arm, half/heel been) met handpomp | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | – |
II.7.04 | Dijbeenspalk Thomas | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 2 | – |
II.7.05 | Nekkraag Stifneck Select of equivalent: instelbaar | 2 | 2 | – | 2 | 2 | 4 | – |
II.7.06 | Vacuumschelpmatras met voetpomp | 1 | – | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.07.07 | Waar de voorgeschreven bemanning uit meer dan 3 personen bestaat: brancard2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | – |
Desinfectie, insectenverdeliging, bescherming | ||||||||
II.8.01 | Drinkwater desinfectiemiddel, geschikt voor menselijke consumptie, hoeveelheid voor 1 keer de totale drinkwatervoorraad aan boord | 2 | 1 | – | 2 | 2 | 5 | – |
II.8.04 | Diëthyltoluamide (DEET) 50% insect repellent, flac 30 ml | 30 | 15 | – | 30 | 30 | 60 | – |
II.8.05 | Spuitbaar bestrijdingsmiddel tegen vliegend en kruipend ongedierte naar keuze, spuitflacon | 2 | 1 | – | 2 | 1 | 10 | – |
Diverse benodigdheden | ||||||||
II.9.01.b | Bodybag | 1 [2] | – | – | 2 | – | 1 [2] | – |
II.9.03 | Condooms | 50 | 20 | – | 50 | 50 | 100 | – |
II.9.04 | Pedaalemmer (RVS) met binnenemmer | 1 | – | – | 1 | 1 | 1 | – |
Plastic binnenzakken voor pedaalemmer, 20 st | 2 | – | – | 2 | 2 | 4 | – | |
II.9.05 | Voorwerpglaasjes, 12 st | 1 | – | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.9.06 | Wattendragers (hout) | 50 | 20 | – | 50 | 50 | 100 | – |
II.9.07 | Buigrietjes | 20 | 10 | – | 20 | 20 | 40 | – |
II.9.10 | Geneeskundig Handboek voor de Scheepvaart, laatste editie incl. aanvullingen | 1 | 1 | – | 1 | 1 | 1 | – |
II.9.11 | MFAG, laatste editie incl. aanvullingen als bedoeld in artikel 25 van de Regeling veiligheid zeeschepen | [1] | [1] | – | – | [1] | [1] | – |
II.9.12 | EHBO-boekje Oranje Kruis, laatste editie | – | – | 1 | – | – | 1 | – |
II.9.13 | Hersluitbare waterdichte medicijnkist, bestemd voor alle artikelen uit kolom R met inhoudsopgave en behandelingsvoorschrift gedrukt op waterbestendig materiaal. | – | – | – | – | – | – | 1 |