Wijzigingen Officiële bron
Besluit van het Productschap Pluimvee en Eieren van 14 juni 2007Hygiënebesluit opfokbedrijven, fokbedrijven en vermeerderingsbedrijven (PPE) 2007 Het bestuur van het Productschap Pluimvee en Eieren;

Gelet op artikel 3, vijfde lid onder a., negende lid, twaalfde lid, artikel 4, vierde, vijfde, zesde en tiende lid, artikel 5 en artikel 6, tiende lid van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007;

Besluit:

Zoetermeer14 juni 2007J.J.RamekersvoorzitterS.B.M.Jongeriussecretaris

Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij beschikking van 6 augustus 2007, nr. TRCJZ/2007/2048.

Dit besluit neemt de begrippen, als omschreven in artikel 1 van de Verordening hygiënevoorschriften pluimveehouderij (PPE) 2007 (hierna: de Verordening), over, en verstaat daarnaast onder

De ondernemer op wiens bedrijf na verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella bij een koppel is bevestigd, stelt het in artikel 6, tiende lid, van de Verordening genoemde tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan op overeenkomstig het model in Bijlage II, en voert dit uit.

De resultaten van het onderzoek op de aanwezigheid van Salmonella als bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden door de ondernemer schriftelijk vastgelegd en doorgegeven, overeenkomstig Bijlage I sub A.3 respectievelijk sub B.3.

Op het bedrijf is bedrijfseigen vangmateriaal aanwezig.

Monsters van opfokbedrijven dienen te worden genomen volgens de frequentie in de onderstaande tabel:

Wanneer eendagskuikens aankomen op het opfokbedrijf worden inlegvellen bemonsterd. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van de monsters. Het nemen van de monsters geschiedt door of namens de ondernemer volgens het werkvoorschrift in onderdeel C van deze bijlage. De monsters worden geanalyseerd door een door de voorzitter erkend laboratorium. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet door een door de voorzitter erkend laboratorium worden geanalyseerd om welk serotype het gaat.

Op een leeftijd van vier weken worden per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 30 mestmonsters of 30 cloacaswabs genomen. Maximaal 14 dagen voor overplaatsing worden per stal 6 x 25 mestmonsters of cloacaswabs genomen. In stallen met huisvesting anders dan kooihuisvesting kunnen deze monsters worden vervangen door 5 paar overschoentjes. De overschoentjes uit één stal mogen worden samengevoegd tot twee gepoolde monsters. De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van de monsters. Het nemen van de monsters wordt aangestuurd door GD en de monsters worden door of namens GD genomen volgens het werkvoorschrift in deel D van deze bijlage. De monsters worden geanalyseerd door een door de voorzitter erkend laboratorium. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet door een door de voorzitter erkend laboratorium worden geanalyseerd om welk serotype het gaat.

Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder A.1 blijkt dat een monster met Salmonella besmet is, dient dit door of namens de ondernemer onverwijld aan GD te worden gemeld. Wanneer het een besmetting met Salmonella op een opfokbedrijf in de pluimveevleessector betreft, voert GD op last van de voorzitter een verificatieonderzoek uit. Wanneer het een besmetting met Salmonella op een opfokbedrijf in de legsector betreft voert GD op last van de voorzitter dit verificatieonderzoek uit, indien het de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimirium, Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow betreft.

Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de besmetting plaats, in elk geval binnen 1 werkdag na het melden van de besmetting aan GD. Monstermateriaal dat is verzameld ten behoeve van het verificatieonderzoek wordt ingezet voor analyse op de dag van bemonstering.

Ten behoeve van het verificatieonderzoek neemt GD per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs. Daarnaast neemt GD ten behoeve van het verificatieonderzoek aselect 5 dieren per stal. Deze dieren worden onderzocht op de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.

Indien de dieren worden verdacht van een besmetting met Salmonella waartegen ze gevaccineerd zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 9 monsters van ieder 50 worden gepoold. De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het productschap.

Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder A.1 blijkt dat een monster met Salmonella besmet is, mag het koppel, wanneer het om een besmetting op een opfokbedrijf in de pluimveevleessector betreft, niet overgeplaatst worden totdat de uitslag van het verificatieonderzoek bekend is.

Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella bij een koppel bevestigt, dan gelast de voorzitter bij besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dat het betrokken koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd en kan de voorzitter, in overleg met de ondernemer, gelasten dat bij besmetting met Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow of Salmonella java het koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd. Hierbij dient het bepaalde in bijlage I (Protocol Antibiotica) van de Verordening te worden gevolgd.

Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow of Salmonella java op een opfokbedrijf in de pluimveevleessector betreft, mag het koppel niet overgeplaatst worden totdat de voorzitter hier toestemming toe geeft.

Vlees van pluimvee dat vanwege een besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium is geruimd mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella’s te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een te ruimen koppel pluimvee te laten vernietigen.

Indien een besmetting met Salmonella wordt bevestigd moet een traceringsonderzoek uitgevoerd worden door een erkende dierenarts, GD of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de acties worden vastgelegd die zijn of worden ondernomen ter voorkoming van een nieuwe besmetting. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

Indien bij verificatie géén besmetting met Salmonella wordt bevestigd, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt de bemonstering op relevante Salmonella’s en een bacteriegroeiremmend effect herhaald totdat er geen bacteriegroeiremmend effect meer wordt waargenomen of tot een Salmonella is aangetoond of het koppel wordt vernietigd. In de tussentijd mag het koppel niet worden overgeplaatst. Als bij het opfokkoppel conform het bepaalde in het Protocol Antibiotica (Bijlage I van de Verordening Hygiënevoorschriften Pluimveehouderij), antibiotica worden toegediend om een Salmonella besmetting te behandelen, mag het opfokkoppel wel overgeplaatst worden.

De uitslagen van de onderzoeken op Salmonella genoemd in A.1 dienen door de ondernemer voorafgaand aan de overplaatsing schriftelijk te worden doorgegeven aan de afnemer van de dieren.

GD en de door de voorzitter erkende laboratoria dienen de uitslag van al het uitgevoerde onderzoek naar Salmonella (zoals bedoeld onder A.1. en A.2.) binnen één maand schriftelijk door te geven aan het productschap.

Ondernemers die een fokbedrijf of een vermeerderingsbedrijf uitoefenen dienen het op het bedrijf aanwezige fokpluimvee of vermeerderingspluimvee te laten onderzoeken op de aanwezigheid van Salmonella. De bemonstering bestaat uit een reguliere monstername en een officiële monstername. De reguliere en officiële monstername vindt plaats door middel van bemonstering van het koppel op het fok- of vermeerderingsbedrijf.

Reguliere monstername

Mestmonsters van fokdieren en vermeerderingsdieren dienen te worden genomen met een frequentie volgens de onderstaande tabel:

Vanaf een leeftijd van 22 tot 24 weken (vanaf een tijdstip vóór het inleggen van door het betreffende koppel geproduceerde broedeieren), worden iedere twee weken per staf 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs verzameld. In een stal met huisvesting anders dan kooihuisvesting kunnen deze monsters worden vervangen door de bemonstering van 5 paar overschoentjes. Er dienen 5 paar overschoentjes per stal te worden genomen, die worden samengevoegd tot 2 gepoolde monsters. De mestmonsters en de overschoentjes worden op het fok- of vermeerderingsbedrijf gepoold. Deze monsters worden genomen onder verantwoordelijkheid van de ondernemer die het fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, volgens protocollen 2 respectievelijk 3 in onderdeel D van deze bijlage. De monsters worden geanalyseerd door een door de voorzitter erkend laboratorium. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet door een door de voorzitter erkend laboratorium worden geanalyseerd om welk serotype het gaat.

In artikel 4 lid 4 onderdeel b van de Verordening is bepaald dat de voorzitter kan besluiten dat de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, de monstername niet eens in de twee weken maar eens in de drie weken uitvoert, indien in Nederland het aantal met Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella badar, Salmonella infantis of Salmonella virchow besmette koppels fok- en vermeerderingsdieren gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger dan 1% van het totale aantal in productie zijnde koppels is geweest.

Officiële monstername

Drie maal in een productiecyclus dient de bemonstering in de pluimveestal door of namens GD te geschieden. Deze bemonsteringen vinden plaats:

Deze monstername vindt op dezelfde wijze plaats als de reguliere monstername en kan ook in de plaats komen van de reguliere monstername.

De ondernemer is zelf verantwoordelijk voor het tijdig laten nemen van monsters. Het nemen van de monsters wordt verder aangestuurd door GD. De monsters worden geanalyseerd door een door de voorzitter erkend laboratorium. Wanneer Salmonella aanwezig is, moet door een door de voorzitter erkend laboratorium worden geanalyseerd om welk serotype het gaat.

In artikel 4 lid 4 onderdeel d van de Verordening is bepaald dat de voorzitter kan besluiten dat de ondernemer die een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf uitoefent, de monstername niet drie maal per ronde maar twee maal per rondo laat uitvoeren, indien in Nederland het aantal met S.e 5.t. en S. hiv besmette koppels fok- en vermeerderingsdieren gedurende twee achtereenvolgende kalenderjaren niet hoger dan 1% van het totale aantal in productie zijnde koppels is geweest.

In dat geval vinden deze monsternamen plaats op twee willekeurige tijdstippen die voldoende ver uit elkaar liggen tijdens de ronde.

Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder B.1 blijkt dat een monster met Salmonella besmet is, dient dit door of namens de ondernemer onverwijld aan GD te worden gemeld. Wanneer het een besmetting met Salmonella op een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector betreft, voert GD op last van de voorzitter een verificatieonderzoek uit. Wanneer het een besmetting met Salmonella op een fokbedrijf of vermeerderingsbedrijf in de legsector betreft voert GD op last van de voorzitter dit verificatieonderzoek uit, indien het de serotypen Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis of Salmonella virchow betreft.

Het verificatieonderzoek vindt zo spoedig mogelijk na het vaststellen van de besmetting plaats. In principe is dat binnen 1 werkdag na het melden van de besmetting aan GD. Monstermateriaal dat is verzameld ten behoeve van het verificatieonderzoek wordt ingezet voor analyse op de dag van bemonstering.

Ten behoeve van het verificatieonderzoek neemt GD per stal 2 gepoolde monsters van ieder tenminste 150 mestmonsters of 150 cloacaswabs. Daarnaast neemt GD ten behoeve van het verificatieonderzoek aselect 5 dieren per stal. Deze dieren worden onderzocht op de aanwezigheid van antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect.

Indien de dieren worden verdacht van een besmetting met Salmonella waartegen ze gevaccineerd zijn, moeten 450 mestmonsters genomen worden die tot 9 monsters van ieder 50 worden gepoold. De uitslag van het verificatieonderzoek wordt binnen 5 dagen na ontvangst van de monsters bij GD doorgegeven aan de betrokken ondernemer en het productschap.

Indien uit het onderzoek zoals genoemd onder B.1 blijkt dat een monster met Salmonella besmet is, wanneer het om een besmetting op een fok- of vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector betreft, niet vervoerd worden en ingelegd worden in de broederij totdat de uitslag van het verificatieonderzoek bekend is.

Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella bij een koppel bevestigt, dan gelast de voorzitter bij besmetting met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium dat het betrokken koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd en kan de voorzitter, in overleg met de ondernemer, gelasten dat bij besmetting met Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow of Salmonella java het koppel onverwijld door de ondernemer wordt geruimd.

Als de uitslag van het verificatieonderzoek een besmetting met Salmonella enteritidis, Salmonella typhimurium, Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow of Salmonella java op een fok- of vermeerderingsbedrijf in de pluimveevleessector betreft, mogen broedeieren niet vervoerd worden en ingelegd worden in de broederij totdat de voorzitter hier toestemming toe geeft.

Vlees van pluimvee dat vanwege een Salmonella besmetting is geruimd, mag niet worden vermarkt als vers pluimveevlees. Een met Salmonella besmet en geruimd koppel mag worden afgezet naar kanalen waar het een behandeling ondergaat die voldoende effectief is om alle aanwezige Salmonella’s te doden. Een pluimveehouder kan er te allen tijde voor kiezen een te ruimen koppel pluimvee te laten vernietigen.

Reeds in de broederij ingelegde broedeieren geproduceerd door met Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium besmette vermeerderingsdieren dienen te worden behandeld als categorie 3-materiaal conform Verordening (EG) nr. 1774/2002. Voor de pluimveevleessector geldt dit ook voor ingelegde broedeieren geproduceerd door met Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow en Salmonella java besmette fok- of vermeerderingsdieren. De nog niet ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door het met Salmonella enteritidis Salmonella typhimurium besmette fok- of vermeerderingsdieren, mogen worden afgezet naar de eiproductenindustrie of moeten een andere effectieve behandeling ondergaan. Voor de pluimveevleessector geldt dit ook voor ingelegde broedeieren, die zijn geproduceerd door een met Salmonella hadar, Salmonella infantis, Salmonella virchow en Salmonella java besmet koppel. Een pluimveehouder en broederij kan er te allen tijde voor kiezen de (ingelegde) broedeieren, afkomstig van een met Salmonella besmet fok- of vermeerderingsdieren, te laten vernietigen.

Indien een besmetting met Salmonella wordt bevestigd, moet een traceringsonderzoek worden uitgevoerd door een erkende dierenarts, GD of een andere deskundige. Het resultaat van dit onderzoek moet schriftelijk worden vastgelegd en inzicht kunnen geven in mogelijke oorzaken van de besmetting. Naast inzicht in mogelijke oorzaken van de besmetting moeten ook de acties worden vastgelegd die zijn of worden ondernomen ter voorkoming van een nieuwe besmetting. Het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan kan daarbij als handleiding worden gebruikt.

Indien bij verificatie géén besmetting met Salmonella wordt bevestigd, maar wel antimicrobiële stoffen of een bacteriegroeiremmend effect, wordt de bemonstering op relevante Salmonella’s en een bacteriegroeiremmend effect herhaald totdat er geen bacteriegroeiremmend effect meer wordt waargenomen of tot een Salmonella is aangetoond of het koppel wordt vernietigd. In de tussentijd mogen de broedeieren het fok- of vermeerderingsbedrijf niet verlaten.

De uitslagen van het onderzoek op Salmonella dienen door de ondernemer schriftelijk te worden doorgegeven aan de afnemer van de broedeieren.

GD en de door de voorzitter erkende laboratoria dienen de uitslag van al het uitgevoerde onderzoek naar Salmonella (zoals bedoeld onder B.1 en B.2) binnen één maand schriftelijk door te geven aan het productschap.

Doel

Dit werkvoorschrift beschrijft de monstername van inlegvellen zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij eendagskuikens bij aankomst op een opfokbedrijf. De monsters worden genomen op het opfokbedrijf door of namens de ondernemer.

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal en locatie te nemen monsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

Laboratorium

Monsters dienen te worden geanalyseerd op alle typen Salmonella volgens de PVE branchemethode MSRV. Wanneer de monsters Salmonellapositief zijn, dan dient te worden vastgesteld om welk serotyp het gaat. Vervolgens wordt gehandeld conform onderdelen A en B in deze bijlage.

Doel

Dit werkvoorschrift beschrijft de mestmonstername zoals voorgeschreven is in het kader van het onderzoek naar Salmonella bij (op)fokpluimvee en (opfok)vermeerderingspluimvee in de pluimveevlees- en legsector. De monsters worden genomen door of namens de eigenaar. De monstername moet plaatsvinden volgens methode 1, methode 2 of methode 3.

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

Uitvoering monstername

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

Uitvoering monstername

Benodigdheden

Werkwijze

Aantal, soort en locatie te nemen mestmonsters

Uitvoering monstername

Inzendformulier

Verzending monsters

Laboratorium

Monsters dienen te worden geanalyseerd op alle typen Salmonella volgens de PVE branchemethode MSRV. Wanneer de monsters Salmonellapositief zijn, dan dient te worden vastgesteld om welk serotype het gaat. Vervolgens wordt gehandeld conform onderdelen A en B in deze bijlage.

Inhoudsopgave 2

1 Inleiding 3

2 Intake op het Bedrijf 4

2.1 Algemene bedrijfsgegevens 4

2.2 Historie rond hygiëne en salmonella 6

2.3 Plattegrond van het bedrijf 6

2.4 Het gebruik van de checklist 7

3 Traceren van besmettingsbronnen op het bedrijf 8

3.1 Omgeving en inrichting bedrijf 8

3.2 Reinigen en ontsmetten 11

3.4 Ongediertebestrijding 13

4 Traceren van besmettingsbronnen bij de dieren 15

4.1 Pluimvee 15

4.2 Voer 16

4.3 Water 17

4.4 Eieren 19

4.5 Mest 20

5 Monitoring 20

5.1 Salmonella-onderzoek 20

5.2 Informatie-overdracht 21

5.3 Maatregelen bij een besmetting 21

6 Bestrijdingsplan 23

6.1 Op korte termijn 23

6.2 Op langere termijn 23

Door het productschap is sinds 1997 het Plan van Aanpak Salmonella (en Campylobacter) in de pluimveevleessector en legsector van kracht. In het najaar van 2000 zijn, nadat de tot dan toe geformuleerde doelstellingen nog niet gehaald waren, verscherpt plannen opgesteld. Deze plannen, het Actieplan Salmonella en Campylobacter pluimveevlees 2000+ en het Actieplan Salmonella in de Eiersector 2001, omvatten een aantal verscherpingen waarbij tracering van de besmetting een belangrijk onderdeel is geworden. Daarom is ook het hierna beschreven protocol voor tracerings-, monitoring- en bestrijding opgesteld.

Wanneer op een pluimveebedrijf een Salmonellabesmetting wordt geconstateerd, moet samen met een volgens de GVP-code erkende dierenarts, GD of een andere deskundige een uitgebreid tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan voor het bedrijf worden opgesteld om de besmetting op het bedrijf te bestrijden en een herbesmetting te voorkomen. Dit plan dient te worden opgesteld in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren. De vleeskuikenhouder is uitgezonderd van de verplichting om het plan in de periode tussen de uitslag van de monstername en het plaatsen van het volgende koppel dieren gereed te hebben.

Wanneer het tracerings-, monitorings- en bestrijdingsplan niet succesvol blijkt te zijn, kan het productschap aanvullende eisen aan het bedrijf stellen wat betreft inrichting, bestrijdings- en beheersingsmaatregelen en de logistiek en bestemming van de dieren of eieren.

Dit handboek biedt een handleiding voor het traceren, monitoren en bestrijden van Salmonella op de bedrijven middels een op maat geschreven plan. Het plan zal per specifiek (besmet) bedrijf richting geven aan een nieuwe opzet waarbij de kans op (her)besmetting zoveel mogelijk wordt vermeden. Bedrijfsspecifieke aandachtspunten worden systematisch verzameld en als actiepunten naar de ondernemer toe vertaald.

Het handboek is een opstap tot het plan. De huidige situatie met betrekking tot de werkwijze, werkvolgorde, goederenstroom, hygiëne, gedrag en denkwijze van de ondernemer wordt in kaart gebracht. Uitgangspunt bij de screening is de Verordening. Hierin staan een aantal productievoorwaarden zoals die sinds 1 november 97 voor pluimveehouders gelden. De screening van het (besmette) bedrijf vindt plaats aan de hand van de checklist in het handboek. Door met de pluimveehouder de aandachtspunten van de checklist na te lopen, de ogen tijdens de rondgang op het bedrijf goed de kost te geven en aan de hand van de bedrijfsplattegrond na te gaan of de werkwijze en/of bedrijfsopzet voor verbetering vatbaar is, resulteert het plan in een aantal concrete actiepunten (bestrijdingsplan). Met het uitvoeren van de actiepunten (en aanbevelingen) wordt een zo hoog mogelijke drempel voor (her)besmetting opgeworpen.

Voor de screening kan het pluimveebedrijf het beste de hulp van een extern deskundige inroepen. Deze is niet bedrijfsblind en kan daardoor de valkuilen en besmettingsrisico’s beter aangeven dan de ondernemer zelf.

Door middel van open vragen met: ‘Wat, waarom en vooral hoe?’, wordt er een audit gehouden bij de veehouder. Doel van dit gesprek is onder andere het gedrag van de pluimveehouder te leren kennen. Daartoe wordt het volgende geïnventariseerd:

Teken een plattegrond waarop de bedrijfsgebouwen staan aangegeven.

Eventueel met cijfer daarbij vermelden:

Bij het doorlopen van de checklisten dient de route van het voer en de eieren op de plattegrond te worden aangegeven.

Door middel van een checklist worden alle mogelijke risicobronnen met betrekking tot (her)besmetting van Salmonella systematisch doorgelopen. Daarbij wordt de bedrijfsplattegrond gebruikt om de route of plek van bepaalde dingen te bepalen.

Lees voordat u de checklist van het handboek toepast, eerst de Verordening door, zodat de artikelen waaraan niet voldaan wordt, voldoende aandacht krijgen. De eisen zoals die in de Verordening zijn gesteld, zijn in dit handboek cursief gedrukt. De daarbij bijbehorende vragen zijn met een sterretje aangegeven. Het bedrijf wordt verondersteld al aan deze productievoorwaarden te voldoen. Als dat inderdaad zo is, wordt ‘voldoet’ omcirkeld. Als het bedrijf nog niet aan deze voorwaarden voldoet, is het per definitie een actiepunt.

De checklist is als volgt opgebouwd:

Bij de checklist is de volgende kolomindeling aangehouden:

Bedrijfshygiëne is de basis voor een goed tegenoffensief. Met de juiste hygiënemaatregelen is het risico op besmetting preventief in te dammen.

In de checklist wordt aangetast of het bedrijf voldoende preventieve maatregelen heeft genomen en/of nog meer drempels kan opwerpen om (her)besmetting te voorkomen.

De in de checklist aangegeven onderdelen ‘Slecht’ geven de actiepunten weer waarin het bedrijf zich dient te verbeteren.

Geeft op de plattegrond het schone en vuile gedeelte van het bedrijf aan.

Geeft op de plattegrond aan:

Kenmerken m.b.t. reinigen en ontsmetten

Wijze van reinigen

Welk reinigingsmiddel

Wijze van ontsmetten

Welk ontsmettingsmiddel

Ontsmettingsduur

Temperatuur bij ontsmetten

Naam professioneel bedrijf

Uitslag hygiëneonderzoek

Geef op de plattegrond aan:

Bij het traceren dient men te letten op zaken die het bedrijf aan- en afvoert en de manier waarop de pluimveehouder hiermee op z’n bedrijf omgaat. Door bijvoorbeeld voor het voer na te gaan hoe dit het bedrijf binnen komt, hoe het is opgeslagen (en misschien zelfs weer van het bedrijf wordt afgevoerd) zijn mogelijk risicovolle besmettingsbronnen op te sporen.

Bij de checklist zijn de zaken aangetekend in de kolom ‘Slecht’ aanleiding om het betreffende punt te gaan verbeteren.

Met de voorkant van de stal wordt gedoeld op die kant waar de voerruimte zich bevindt.

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Geef op de tekening aan:

Onder monitoring wordt het onderzoek verstaan wat is uitgevoerd bij het betreffende koppel. Dit is niet alleen als ze op het bedrijf komen, maar ook daarvoor en erna.

Ontsmettingsbedrijf & onderzoekinstituut

Naam ontsmettingsbedrijf

Plaats

Telefoon

Naam instantie swabsonderzoek

PlaatsTelefoon

De actiepunten kunnen bestaan uit maatregelen zoals deze al volgens de Verordening bekend verondersteld mogen zijn, en uit aanvullende maatregelen c.q. aanbevelingen. Dit zijn aandachtspunten en maatregelen met het oog op de ‘uiterste zorgvuldigheid’. Te beschouwen als ‘aanbevelingen’.

Daarbij kan men o.a. denken aan:

De volgende zaken gelden ten allen tijde:

In onderstaande tabellen wordt als samenvatting een overzicht van de diverse (belangrijkste) actiepunten en aanbevelingen weergegeven. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen handelingen op (zeer) korte termijn en (iets) langere termijn.

Actiepunt

Aanbeveling

Monitoring

Actiepunt

Aanbeveling

Monitoring

In dit artikel wordt een protocol beschreven dat algemeen toepasbaar is en dient te worden ingevuld op basis van de specifieke bedrijfssituatie. Hiermee wordt onder meer bedoeld dat de te kiezen middelen en doseringen door de pluimveehouder zelf moeten worden ingevuld. Uiteraard is het raadzaam om deskundig advies in te winnen over de keuze van het materiaal, zodat de verschillende middelen goed op elkaar zijn afgestemd en niet contraproductief werken. Daarnaast hangt de werkwijze af van het type pluimvee en de daarbij horende staltypen.

Over reinigen en ontsmetten bestaan veel verschillende meningen bij mensen die in de pluimveehouderij werkzaam zijn. De meningen lopen uiteen van ‘alles moet steriel zijn als in een operatiekamer’ tot ‘alleen met water reinigen is genoeg’.

De verordeningen van de Productschappen Pluimvee en Eieren schrijven echter bepaalde werkwijzen voor die kunnen bijdragen tot de vermindering van de Salmonella- en Campylobacterbesmettingen van het eindproduct: pluimveevlees of eieren. In de bestrijding van deze bacteriën speelt de reiniging en ontsmetting van stallen terecht, een belangrijke rol.

Toch is dit niet de enige reden om goed te ontsmetten. Allerlei ongewenste ziektekiemen voor de dieren zelf dienen ook te worden gedood. Bij elke nieuwe koppel dient er met een schone lei te worden begonnen, waarbij ook de insleep vanuit de omgeving van de stallen moet worden voorkomen.

Er bestaat geen algemeen geldende ‘beste’ methode waarop een stal dient te worden gereinigd en ontsmet. Wel zijn er tal van specifieke zaken waarmee rekening moet worden gehouden en die in de loop van de jaren verwateren of worden vergeten.

In dit artikel staan vele zaken die uiteraard bekend en voor de hand liggend zijn, maar er wordt getracht uw geheugen op te frissen en uzelf scherp te houden.

De werkzaamheden rondom het schoonmaken en ontsmetten van pluimveestallen komt in grote lijnen hierop neer:

Reinigen en ontsmetten zijn twee afzonderlijke handelingen. De aanwezigheid van organisch vuil, maar vooral van vet staat een goede ontsmetting in de weg. Organisch materiaal inactiveert ontsmettingsmiddelen en vet is een prima beschermer van micro-organismen. Alleen als er loog wordt gebruikt, weliswaaar met in achtneming van voldoende inweektijd, zouden ze in één procesgang kunnen worden uitgevoerd.

Algemeen geldt echter, als zowel een reinigings- als een desinfectiemiddel wordt gebruikt, moeten de beide middelen op elkaar zijn afgestemd. Deze informatie is te verkrijgen bij de leverancier van de middelen.

Voor een goede reiniging van de stal en directe omgeving is het van belang dat de werkzaamheden in de juiste volgorde worden uitgevoerd.

Het water dat voor de reiniging wordt gebruikt dient minimaal geschikt te zijn als drinkwater voor vee, om te voorkomen dat er stoffen in zitten die de reiniging negatief beïnvloeden.

Werkwijze reiniging stal:

Reinigen en ontsmetten drinkwatersysteem:

Probeer allereerst vast te stellen wat de aard is van de inwendige vervuiling van het systeem. Dit kan gedaan worden door het systeem op enkele plaatsen te ontkoppelen.

Ruwweg kan dit bestaan uit organisch vuil (bacteriën, algen en schimmels) of anorganisch (kalksteen). Organische aanslag kan worden verwijderd met een alkalisch reinigingsmiddel of waterstofperoxide; anorganische aanslag moet worden bestreden met een zuur reinigingsmiddel (pas op voor corrosie).

Tijdens de reiniging dient de stal c.q. de watertemperatuur minimaal 10 °C te bedragen.

Werkwijze reiniging drinkwatersysteem

Nippel- en cupsystemen en centrale leidingen:

Drinktorens en losse cups:

Onderdompelen in de reinigingsvloeistof (kalkoplossend) en 2 tot 6 uur in laten werken. Daarna onder druk afspuiten met een koude waterstraal. Bij ernstige vervuiling met een harde borstel reinigen.

Daarna de nippelleidingen volzetten met een ontsmettingsmiddel, de benodigde tijd laten staan en met schoon drinkwater naspoelen. Controleer hierbij desgewenst of alle ontsmettingsmiddel weg is.

De drinktorens dompelen of afsproeien met een ontsmettingsmiddel, waarna ze worden nagespoeld met schoon drinkwater.

Ontsmetten

Ontsmetting kan gedaan worden met verschillende ontsmettingsmiddelen, die elk één of meerdere werkzame stoffen bevatten. Om een goede werkzaamheid tegen Salmonella paratyphi B var. Java te verkrijgen wordt ontsmetting met formalinehoudende middelen geadviseerd. Voor de meeste middelen geldt dat de stal zeer goed gereinigd moet zijn, omdat de werkzame stof door vuilresten onwerkzaam wordt gemaakt.

Ontsmetting kan uitgevoerd worden met de aanwezige reinigingsapparatuur. Er moet echter geen hoge druk gebruikt worden. De beste resultaten worden behaald door een combinatie van een ontsmetting van de vloer, de opgaande wand en de inlaatkleppen met de hogedrukreiniger gevolgd door een ruimteontsmetting met een hoge druk vernevelaar.

Werkwijze ontsmetting:

Het doel van de monstername is Salmonella paratyphi B var. Java te vinden, het is derhalve van belang om gericht te zoeken naar zichtbaar vuile oppervlakken. Deze worden bemonsterd, aangezien het niet zinvol is om schone oppervlakken te swabben.

Soms is het zinvol om meer swabs te nemen van andere dan de hier genoemde plaatsen; hierbij geldt steeds weer dat er gericht gezocht dient te worden. Dergelijke plaatsen kunnen in de directe omgeving van de stallen liggen, bijvoorbeeld de voerdistributie/weegplaats.

Het is uiteraard van belang om een visuele beoordeling van de stallen en inventaris uit te voeren.

Hierbij moet ook de aanwezigheid van ongedierte, zoals kevers en larven worden meegenomen.

Bij het nemen van swabmonsters in de stallen die met Salmonella paratyphi B var. Java besmet waren, dienen tenminste 50 swabs genomen te worden bijvoorbeeld op de volgende plaatsen (dit laatste is enigszins afhankelijk van de betreffende praktijksituatie).

Voorts monstername van losliggend vuil en schraapsel van risicoplaatsen, zoals de binnenzijde van de voervijzel, bedrijfsschoeisel en kieren van afvoerputten. Het te nemen aantal swabs is afhankelijk van de hoeveelheid aangetroffen materiaal.

Voor de analyse mogen 25 swabs worden gepoold.