Wijzigingen Officiële bron
Aanwijzing opsporing en behandeling van militaire zakenAanwijzing opsporing en behandeling van militaire zaken

Deze aanwijzing beschrijft eerst de doelstellingen en uitgangspunten met betrekking tot de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, voor zover die door Nederlandse militairen wordt geschonden. Daarna wordt ingegaan op de prioriteiten bij de opsporing. Verder wordt ingegaan op de verhouding tussen het (militair) strafrecht en het militair tuchtrecht. Vervolgens worden meer praktische aanwijzingen gegeven ten aanzien van de consultatie door de hulpofficier van Justitie van de officier van Justitie, ten aanzien van transigabele misdrijffeiten en ten aanzien van inhoud en inzending van processen-verbaal.

Sedert de vaststelling op 28 mei 1998 van de ‘Aanwijzingen ten behoeve van de opsporing en behandeling van militaire en commune misdrijven met militair aspect’, nummer Ah. 3304 20556/98, heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan die aanpassing van de aanwijzingen vergen. In dat verband kunnen worden genoemd:

De Commissie Borghouts heeft een aantal aanbevelingen gedaan m.b.t. de geweldsaanwending door militairen bij uitzendingen. Van belang is in casu aanbeveling 11, waarin de herziening wordt aanbevolen van de nota van het Openbaar Ministerie te Arnhem van 28 mei 1998, betreffende Aanwijzingen ten behoeve van de opsporing en behandeling van militaire en commune misdrijven met militair aspect. Onderhavige aanwijzingen voorzien daarin.

In deze aanwijzingen wordt verstaan onder:

Ingevolge de artikelen 2 en 3 Wmsr is de uitsluitende bevoegdheid tot kennisneming in eerste aanleg van strafbare feiten begaan door militairen en door met Nederlandse militairen gelijkgestelde personen.gelegd bij de Militaire kantonrechter te Arnhem dan wel de Meervoudige Militaire Kamer en de Militaire politierechter van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem. Op die uitsluitende bevoegdheid van de Militaire kantonrechter, de Meervoudige Militaire Kamer en de Militaire politierechter bestaan twee uitzonderingen.

De eerste uitzondering is een territoriale: artikel 3,derde lid, Wmsr bepaalt dat de Militaire Kantonrechter, de Meervoudige Militaire Kamer en de Militaire politierechter te Arnhem niet bevoegd zijn in het rechtsgebied van enig ander bij of krachtens de Wmsr aangewezen gerecht tot uitoefening van de in artikel 2 omschreven rechtsmacht. Aangewezen andere bevoegde gerechten zijn:

De tweede uitzondering betreft artikel 4 Wmsr: bij deelneming van de militair aan strafbare feiten in deelneming met iemand die niet onder de in artikel 2 omschreven rechtmacht valt, is bevoegd de rechter in Nederland, die tot kennisneming van de door de (burger)deelnemer begane feiten bevoegd is, tenzij:

Voor hoger beroep tegen vonnissen van de Militaire kantonrechter of de Meervoudige Militaire Kamer is ingevolge artikel 8 Wmsr bij uitsluiting bevoegd de Meervoudige Militaire Kamer van de Arrondissementsrechtbank te Arnhem respectievelijk de Meervoudige Militaire Kamer van het Gerechtshof te Arnhem, m.u.v. het hoger beroep inzake militaire zaken van militairen in het bevelsgebied van de Commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied of op Aruba. In die gevallen is het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba bevoegd.

Het vorenstaande impliceert dat vervolging van militairen (en daarmee gelijkgestelde personen) uitsluitend plaatsvindt door het Arrondissementsparket te Arnhem dan wel het Openbaar Ministerie in de Nederlandse Antillen dan wel op Aruba, met uitzondering van de deelneming als bedoeld in artikel 4 Wmsr onder de daar genoemde voorwaarden. Officieren van Justitie, niet zijnde officier van Justitie belast met militaire zaken, dragen in voorkomend geval bij hen aangebrachte zaken betreffende strafbare feiten begaan door militairen waarvoor zij niet bevoegd zijn over aan de desbetreffende, wel bevoegde officier van Justitie belast met militaire zaken.

Het Arrondissementsparket te Arnhem is belast met het leiding geven aan de opsporing en de vervolging van strafbare feiten die zijn begaan door Nederlandse militairen tijdens hun verblijf in werkelijke dienst. De kerntaak daarbij is de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, voor zover deze door Nederlandse militairen wordt geschonden.

Uitvoering van die kerntaak brengt specifieke doelstellingen met zich mee, welke een gezamenlijke inspanning van het Arrondissementsparket te Arnhem en de KMar vergen, te weten:

Het beoordelen van de rechtmatigheid van geweldsaanwending door militairen tijdens uitzendingen geschiedt conform de ter zake door het college van procureurs-generaal vastgestelde aanwijzing ‘Handelwijze bij geweldsaanwending militairen’4.

Als algemeen uitgangspunt geldt dat het commune strafvorderingsbeleid wordt gevolgd. Van dat beleid kan worden afgeweken, indien specifieke militaire regelgeving of belangen dat noodzakelijk maken. Concreet worden aldus de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Deze aanwijzing is een aanvulling op andere aanwijzingen en richtlijnen, zoals de Aanwijzing opsporing en vervolging, welke aanwijzing integraal van toepassing is op de opsporing en vervolging van militaire zaken.

Gegeven de beperkte opsporingscapaciteit, is het noodzakelijk vast te stellen aan welke opsporingsonderzoeken voorrang moet worden gegeven. Het Openbaar Ministerie stelt na overleg met de Commandant van de KMar de prioriteiten vast. In algemene zin zijn de prioriteiten reeds vastgelegd in de – ook voor de KMar – van toepassing zijnde Aanwijzing voor de opsporing8. Daarnaast worden jaarlijks specifiek militaire beleidsprioriteiten afgesproken tussen de hoofdofficier van Justitie te Arnhem en de Commandant van de Koninklijke Marechaussee.

Een verzoek van de commandant of een andere vertegenwoordiger van een van de defensieonderdelen wordt bij de afwegingen inzake de prioriteitstelling betrokken.

Mocht zich onvoorzien een situatie voordoen van ontoereikende opsporingscapaciteit, dan dient door de KMar met de rechercheofficier bij het Arrondissementsparket te Arnhem overleg te worden gevoerd over de prioriteitstelling dan wel de wenselijkheid van het verkrijgen van een tijdelijke ondersteuning van elders.

De wetgever heeft een duidelijke scheiding willen maken tussen het (militair) straf- en het militair tuchtrecht. In de praktijk is die scheiding vaak niet zo scherp als de wetgever zich had voorgesteld.

Een aantal aspecten betreffende de verhouding tussen (militair) strafrecht en militair tuchtrecht vergen bijzondere aandacht van het Arrondissementsparket in Arnhem en van de KMar.

De hulpofficier van Justitie van de KMar neemt bij de consultatie de onderstaande aanwijzingen in acht.

In bepaalde gevallen kunnen misdrijven, met uitzondering van die waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld van meer dan zes jaar, en overtredingen via transactie worden afgedaan:

Transigabele feiten die zijn geconstateerd tijdens uitzendingen of tijdens een oefening in het buitenland, varen daaronder begrepen, worden zo spoedig mogelijk behandeld.

Op commune misdrijven zijn de Polaris-richtlijnen van toepassing.

Door de zorg van de Commandant van de Koninklijke Marechaussee worden uitvoeringsbepalingen bij deze aanwijzingen vastgesteld15.

De beleidsregels in deze aanwijzing hebben gelding vanaf de datum van inwerkingtreding.