U bekijkt een oudere versie van dit document, geldig op 15-01-2016.

Ministeriële regeling · BWBR0027597

Regeling op het specifiek cultuurbeleid

Wijzigingen Officiële bron
Regeling van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 16 april 2010, nr. WJZ/204802 (8258), houdende regels voor de subsidiëring van cultuuruitingen (Regeling op het specifiek cultuurbeleid)Regeling op het specifiek cultuurbeleid De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 4a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, artikel 4 van het Besluit op het specifiek cultuurbeleid en artikel 5 van het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen;

Besluit:

Deze regeling zal met de bijlagen en toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.M. vanBijsterveldt-Vliegenthart

In deze regeling wordt verstaan onder:

Om in aanmerking te komen voor een instellingssubsidie, dient de instelling overeenkomstig de aanvraagtermijn in hoofdstuk 3 een subsidieaanvraag in.

De subsidieaanvraag gaat in ieder geval vergezeld van:

Het activiteitenplan omvat een overzicht van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee na te streven doelstellingen.

Voor zover de aanvrager voor dezelfde begrote lasten tevens subsidie heeft aangevraagd bij een of meer andere bestuursorganen, maakt hij dat inzichtelijk in de aanvraag.

De minister beslist op de aanvraag voor een instellingssubsidie binnen 40 weken na afloop van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend en uiterlijk dertien weken voor de periode van vier kalenderjaren waarvoor subsidie wordt gevraagd.

De subsidieontvanger zorgt ervoor dat de werkzaamheden op een zodanige manier worden uitgevoerd dat de subsidie op doelmatige wijze wordt gebruikt voor de doeleinden waarvoor deze wordt verleend.

De subsidieontvanger die aan derden goederen ter beschikking stelt of voor derden diensten verricht, brengt daarvoor een vergoeding in rekening die ten minste kostendekkend is, tenzij het derden betreft voor wie de gesubsidieerde activiteiten bestemd zijn.

Vervallen

Vervallen

De minister kan modellen vaststellen voor het bestuursverslag en de jaarrekening, waaronder de prestatieverantwoording. De modellen worden gepubliceerd op de website www.cultuursubsidie.nl.

Vervallen

Bij de beoordeling van aanvragen voor subsidie houdt de minister in ieder geval rekening met:

De minister kan aan een instelling met als kernactiviteit de ontwikkeling en presentatie door makers van vernieuwende of experimentele activiteiten op het terrein van de podiumkunsten niet zijnde festivals en concoursen, een instellingssubsidie verstrekken, indien de instelling:

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.11 is voor instellingen gezamenlijk jaarlijks ten hoogste € 1.600.000 beschikbaar, met een maximum van € 533.000 per instelling.

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.13 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteiten het begeleiden van operaproducties en het verzorgen van symfonisch aanbod, indien de instelling:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het begeleiden van dansproducties, indien de instelling:

voor zover de begeleiding in de basisbezetting van haar orkest om niet plaatsvindt, en niet meer dan een redelijke prijs in rekening wordt gebracht voor de kosten die verband houden met een aanvullende bezetting bij repertoire waarbij een basisbezetting naar algemeen gangbare artistieke maatstaven niet volstaat.

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één pop en jazz orkest met een symfonische bezetting, indien de instelling voldoet aan artikel 3.15, eerste lid, onderdelen a en d.

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van grootschalig opera-aanbod, indien de instelling:

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.20 en 3.21 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling met als kernactiviteit de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod in zowel een nationale als een internationale context op het terrein van oude muziek, indien de activiteiten van de instelling:

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.23 en 3.24 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het beheren van een collectie van cultureel erfgoed op het gebied van kunsthistorische documentatie.

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan een instelling die haar standplaats in een kernpunt heeft en met als kernactiviteit het verzorgen van een begeleidingsprogramma op het terrein van beeldende kunst, dat een vervolg is op een bachelor- of masteropleiding op het gebied van de kunst, indien de instelling een internationaal toonaangevend programma verzorgt en ten minste tien deelnemers begeleidt.

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.33 is jaarlijks voor een instelling per deelnemer ten hoogste € 50.000 beschikbaar en is in totaal jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 4.300.000 beschikbaar.

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van de film, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.35 en 3.36 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

Voor subsidieverstrekking op grond van artikel 3.38 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van architectuur, vormgeving en e-cultuur, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

Voor subsidieverstrekking op grond van deze afdeling is jaarlijks ten hoogste een bedrag van € 5.640.000 beschikbaar.

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verrichten van ondersteunende activiteiten op het terrein van amateurkunst en cultuureducatie, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit coördinatie van de uitvoering van het internationaal cultuurbeleid en het stimuleren van de uitwisseling van kennis en ervaring op het gebied van erfgoed tussen organisaties en landen, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het ontwikkelen en verspreiden van kennis over digitalisering en beheer en het digitaal beschikbaar stellen van culturele informatie, indien de activiteiten van de instelling bijdragen aan:

De minister kan een instellingssubsidie verstrekken aan ten hoogste één instelling met als kernactiviteit het verzamelen en verspreiden van kennis en informatie over kunst en cultuur in beleid en praktijk, indien de activiteiten van de instelling gericht zijn op:

Voor subsidieverstrekking op grond van de artikelen 3.39 tot en met 3.42 zijn jaarlijks ten hoogste de volgende bedragen beschikbaar:

Paragraaf 2.2 is niet van toepassing op de verstrekking van vierjaarlijkse instellingssubsidies aan fondsen.

Vervallen

De artikelen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de verstrekking van projectsubsidies voor zover voor de subsidie geen specifieke regeling bestaat.

Artikel 2.9 is van overeenkomstige toepassing op de verstrekking van projectsubsidies.

De minister kan, gelet op het belang dat deze regeling beoogt te beschermen, artikelen of onderdelen daarvan buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover strikte toepassing leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2010, met uitzondering van artikel 6.5, onderdeel C, dat in werking treedt met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin de regeling wordt geplaatst.

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling op het specifiek cultuurbeleid.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen