Wet · BWBR0001848

Spoorwegwet 1875

Wijzigingen Officiële bron
Wet van 9 april 1875, tot regeling van de dienst en het gebruik der spoorwegen, en zulks met intrekking der wet van 21 augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) Spoorwegwet 1875Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat de wijziging en aanvulling, welke de wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98), omtrent de spoorwegdiensten en het gebruik der spoorwegen behoeft, het raadzaam maken haar door eene nieuwe wet te doen vervangen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Amsterdam den 9den April 1875 WILLEM. De Minister van Binnenlandsche Zaken, HEEMSKERK. De Minister van Justitie, VAN LYNDEN VAN SANDENBURG. den zestienden April 1875. De Minister van Justitie, VAN LYNDEN VAN SANDENBURG.

Onder voorbehoud van afdeling 5 van titel 2 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek zijn de ondernemers eener Spoorwegdienst verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan.

Vervallen

Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd hunne verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging van of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner verpligtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief, of door bijzondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der regels, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen.

Vervallen

De artikelen 75, eerste lid, en 186, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gelden niet voor ondernemers van een spoorwegdienst ten aanzien van door hen uitgegeven documenten voor het goederenvervoer.

De in artikel 10 bedoelde ambtenaren hebben recht op gratis vervoer in alle treinen.

Vervallen

De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van zijn beslissing, indien de bestuurders van de spoorwegdienst de bevolen herstellingen of vernieuwingen aan de spoorweg of aan de daartoe behorende werken en gebouwen niet uitvoeren, of niet tot de door hem nodig geachte aanvulling van behoeften voor de dienst of van het getal beambten of bedienden overgaan.

Wegens redenen van staatsbelang kan staking van de dienst door de Minister van Verkeer en Waterstaat worden bevolen.

In het geval, bij het vorige artikel bedoeld zorgt de Minister van Verkeer en Waterstaat, dat zooveel mogelijk worde voorzien in de behoeften van het verkeer in de rigting van den spoorweg.

Staking der dienst in het geval, bij artikel 17a bedoeld, wordt in de Staatscourant vermeld, en in de provincien, door welke de weg loopt, zoo spoedig mogelijk, algemeen bekend gemaakt.

Eene krachtens deze wet gestaakte dienst wordt niet hervat dan na bekomen toestemming van den Minister van Verkeer en Waterstaat.

De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bevel tot staking dan wel ter voorkoming van het hervatten van de dienst zonder de in artikel 20 bedoelde toestemming.

De in artikel 10 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens onverwijld uit een trein te doen verwijderen en het vertrek van een trein te verbieden, indien de toestand van het materieel of de zamenstelling van den trein, naar hun oordeel, voor den trein gevaar kan doen ontstaan.

Vervallen

Vervallen

Bij algemene maatregel van bestuur worden - met uitzondering van arbeids- en rusttijden van het personeel in dienst van een spoorwegonderneming - geregeld:

de dienst op de stations;

het toezigt over de baan en de bediening der seinen;

de inrigting van en het toezigt over de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens;

de zamenstelling der treinen;

de snelheid waarmede de treinen zijn te vervoeren;

het getal beambten en bedienden, op elken trein noodig;

hetgeen in het belang der orde op elken trein is in acht te nemen;

de voorwaarden voor het vervoer van goederen;

het afhalen en bestellen der goederen, en het loon daarvoor te genieten;

de behandeling der onafgehaalde of onbestelbare goederen;

de tijd waarna die goederen kunnen verkocht worden, en de wijze waarop die verkoop zal kunnen geschieden;

de beëediging van de beambten en bedienden van den spoorweg;

en hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten en het veilig verkeer over de spoorwegen, krachtens deze wet, is voor te schrijven.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Binnen den afstand van zes meter van een spoorweg geschiedt geenerlei uitgraving.

Binnen den afstand van twintig meter van een spoorweg worden geene riet- of stroodaken geplaatst, noch ligt ontvlambare stoffen nedergelegd.

Van de bepalingen in de artt. 36, 37 en 38 kan door Onzen Minister van Waterstaat, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den spoorweg kan geschieden, ontheffing worden verleend.

De Minister van Verkeer en Waterstaat is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van het bepaalde in de artikelen 36, 37 en 38. Hij kan hiertoe mandaat verlenen aan de bestuurders der spoorwegdienst.

Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer belemmeren kan, neder te leggen.

Het is aan elk, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden, buiten toestemming van de bestuurders der dienst, of van hem, wien dit door de bestuurders is opgedragen, langs of op den spoorweg te loopen of te rijden.

Het is verboden, buiten de toestemming in het vorig artikel bedoeld, paarden, vee of andere dieren langs of op den spoorweg te drijven of te laten loopen.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Regelen omtrent de aanwending van spoorwegen en spoorwegmaterieel in de gevallen, bedoeld in art. 24 en de 2de alinea van art. 50, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gesteld.

Kan in het geval, bij art. 50 bedoeld, het vervoer van reizigers of goederen niet langs den spoorweg plaats hebben, dan wordt in dat vervoer voorzien op de bij art. 18 bepaalde wijze.

De bestuurders eener spoorwegdienst worden gestraft:

zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met geldboete van de derde categorie;

zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voorzien, met geldboete van de derde categorie;

zoo zij de dienst op den spoorweg openen, alvorens het dienstreglement, in art. 6 bedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen hetzij hervatten, alvorens de in het 1ste lid van art. 7 bedoelde magtiging verleend is, met geldboete van de derde categorie bij de openstelling of hervatting van de dienst, en van de tweede categorie voor elke dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd;

zoo zij de dienst voortzetten na bevel tot staking, of die hervatten zonder de toestemming, in art. 20 bedoeld, met geldboete van de derde categorie bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van de tweede categorie voor elke dag, dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd;

zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming in het laatste lid van art. 7 voorgeschreven, zijn gemagtigd, met geldboete van de tweede categorie voor elke locomotief, tender, rijtuig of wagen;

zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den Minister van Verkeer en Waterstaat, in art 14 bedoeld, of aan den in de voorlaatste alinea van art. 13 bedoelden last, met geldboete van de eerste categorie voor elke dag verzuim;

zoo zij het in art. 5 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaand vervoer van reizigers en goederen, of een krachtens een der artikelen 27, 27c, 27d of 33 uitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met geldboete van de derde categorie.

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Vervallen

Deze wet is niet van toepassing voor zover de Wet personenvervoer 2000 van toepassing is.

De wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) wordt ingetrokken.